Rechtbank Den Haag – Afkoelingsperiode (2 april 2021)

Rechtbank Den Haag – Afkoelingsperiode (2 april 2021)

2 april 2021

Verzoekster oefent een onderneming uit die door het toetreden van een nieuwe concurrent op de markt een aanzienlijke omzetvermindering heeft gemerkt in de jaren 2018 en verder. Ondanks een operationele reorganisatie is het vanaf juni 2021 niet meer mogelijk om aan haar verplichtingen te kunnen voldoen, ten tijde van dit verzoek was dat nog wel het geval. Verzocht wordt om het afkondigen van een afkoelingsperiode.

De rechtbank stelt eerst vast dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van het geschil en dat sprake is van een besloten akkoordprocedure. De rechtbank gaat alle vereisten voor het afkondigen van een afkoelingsperiode af en komt tot de conclusie dat er inderdaad noodzaak is voor de afkoelingsperiode, omdat het uitwinnen van zekerheden door de huisbankier het aanbieden van een akkoord onmogelijk wordt gemaakt.

De rechtbank overweegt dat een afkoelingsperiode voor de duur van drie maanden voldoende zou moeten zijn en is van mening dat summierlijk is gebleken dat de gezamenlijke schuldeisers niet geschaad worden door het afkondigen van een afkoelingsperiode.

Verzoekster heeft daarnaast verzocht tot het opheffen van diverse beslagen op auto’s en de voorraad. De rechtbank heft het beslag op de voorraad op. Het beslag op de auto’s blijft gehandhaafd omdat niet voldoende is gesteld waarom deze nodig zijn voor de normale bedrijfsuitoefening.

Ter beveiliging van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers stelt de rechtbank ambtshalve een observator aan. De afkoelingsperiode wordt definitief vastgesteld op drie maanden.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:3227