Rechtspraak – afwijzing homologatie akkoord (2 maart 2021)

rechtspraak – afwijzing homologatie akkoord (2 maart 2021)

2 maart 2021

De rechtbank Den Haag heeft een verzoek tot homologatie van het akkoord afgewezen.

Verzoeker heeft op 4 januari 2021 een startverklaring gedeponeerd ter griffie van de rechtbank en verzocht om een afkoelingsperiode van twee maanden. Op 15 januari 2021 heeft de rechtbank uitspraak gedaan en een afkoelingsperiode voor de duur van twee maanden vastgesteld.

Afwijzingsgronden

Op grond van artikel 384 lid 1 Fw is het aan de rechtbank om een verzoek tot homologatie toe te wijzen, tenzij zich één of meer afwijzigingsgronden zoals bedoeld in artikel 384 lid 2 tot en met lid 5 Fw voordoen.

Artikel 384 lid 2 Fw is een algemene afwijzigingsgrond en moet door de rechter ambtshalve getoetst worden. Drie onderdelen zijn bij die beoordeling in ieder geval van belang:

  • Alle schuldeisers of aandeelhouders op wie het akkoord betrekking heeft moeten naar behoren in kennis zijn gesteld van het akkoord, de gelegenheid hebben gehad hierover hun stem uit te brengen en op de hoogte zijn gebracht van de datum waarop de behandeling van het homologatieverzoek zou plaatsvinden (artikel 384 lid 2 sub b Fw).
  • De informatie die in het akkoord en de bijlagen is opgenomen is toereikend (artikel 384 lid 2 sub c Fw).
  • De schuldeisers en aandeelhouders zijn op een correcte wijze onderverdeeld in klassen en/of zijn voor het juiste bedrag in hun desbetreffende klasse onderverdeeld (artikel 384 lid 2 sub c en d Fw).

 

(On)juist informeren schuldeisers

De rechtbank overweegt dat het correct en volledig informeren van de schuldeisers van belang is, zeker als een groot aantal schuldeisers niet (tijdig) hebben gestemd. De rechtbank overweegt dat het daarna niet duidelijk is waaruit de vorderingen van twee schuldeisers bestaan die tezamen een groot deel van het totale bedrag aan vorderingen vertegenwoordigen. De rechtbank overweegt dat verzoeker de schuldeisers onjuist heeft geïnformeerd, door onder andere een verkeerde tijd te noteren wanneer de rechtbank het homologatieverzoek zou behandelen. Verzoeker stelde dat dit op 16 februari 2021 om 11:00 zou zijn, terwijl in de beschikking van de rechtbank 16 februari 2021 om 13:00 stond. Mede omdat niet alle schuldeisers het akkoord hebben aanvaard, doet zich de afwijzingsgrond van artikel 384 lid 2 sub b Fw voor.

De rechtbank moet daarnaast op grond van artikel 384 lid 2 sub c Fw vaststellen of de schuldeisers correct en toereikend zijn geïnformeerd, zodat zij een weloverwogen keuze konden maken. In een brief op 19 januari 2021 heeft verzoeker aan schuldeisers het akkoord voorgelegd. De brief en de verstrekte informatie bij die brief zijn leidend voor het bepalen of voldaan is aan artikel 384 lid 2 sub c Fw.

De rechtbank concludeert dat de schuldeisers niet volledig zijn geïnformeerd. Zo is gebleken dat verzoeker een (mogelijke) schuld van circa € 40.000 heeft aan de verhuurder. Na sluiting van de termijn waarbinnen de stemgerechtigde schuldeisers hun stem konden uitbrengen, heeft verzoeker aan de schuldeisers medegedeeld dat het akkoord niet betrekking zou hebben op twee klassen (preferente en concurrente schuldeisers), maar alleen op de klasse concurrente schuldeisers. De vordering van de preferente schuldeiser is nog onzeker, deze zou wellicht kunnen dalen maar ook kunnen toenemen. Als laatste deelt verzoeker mede dat de schulden niet alleen door de ziekte bij verzoeker zijn ontstaan, maar ook door een administratie die niet volledig bijgewerkt was in het verleden.

Verzoeker heeft daarnaast de schuldeisers niet geïnformeerd over een ongunstig rapport van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf, waarin geconcludeerd werd dat het bedrijf van verzoeker niet levensvatbaar was. Omdat verzoeker de schuldeisers op diverse manieren niet duidelijk geïnformeerd heeft, is volgens de rechtbank sprake van een afwijzingsgrond ex artikel 384 lid 2 sub c Fw.

Levensvatbaarheid onderneming

De rechtbank overweegt apart nog het volgende over de levensvatbaarheid van de onderneming. De WHOA ziet primair op ondernemingen die vanwege een zware schuldenlast insolvent dreigen te raken, maar wel bedrijfsactiviteiten hebben die de onderneming levensvatbaar maken. Bij een eenmanszaak, zoals hier het geval is, is het verder van belang dat de onderneming kan voorzien in de levensonderhoud van de ondernemer. In beginsel is het aan de schuldeisers om te concluderen dat een onderneming wel of niet levensvatbaar is. Het is echter wel mogelijk voor de rechtbank om een verzoek tot homologatie van een akkoord af te wijzen als evident onaannemelijk is dat sprake is van een levensvatbare onderneming (na uitvoering van het akkoord).

Het IMK had in zijn rapport al geoordeeld dat geen sprake was van een levensvatbare onderneming. Het geprognotiseerde bedrijfsresultaat vóór belasting en zonder arbeidsvergoeding voor verzoeker, is dermate laag dat het niet aannemelijk is dat verzoeker op grond van het nettoresultaat in staat zou zijn om in zijn levensonderhoud te voorzien. De rechtbank oordeelt dat homologatie van het akkoord afgewezen moet worden.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:1798