Afwijzing homologatieverzoek (3 september 2021)

Afwijzing homologatieverzoek (3 september 2021)

3 september 2021

Een schuldenaar deponeert op 8 maart 2021 een startverklaring bij de griffie van de Rechtbank Den Haag in verband met het voorbereiden van een WHOA-akkoord. Bij beschikking van 9 juli 2021 heeft de rechtbank een afkoelingsperiode afgekondigd van 2 maanden. Op 2 augustus 2021 deponeert de schuldenaar een stemverslag op grond van art. 382 Fw om vervolgens op 6 augustus 2021 te verzoeken om het aangeboden akkoord te homologeren. De rechtbank wijst dit homologatieverzoek af op diverse gronden.

Bij beschikking van 9 augustus 2021 wijst de rechtbank een observator aan en bepaalt dat het verzoek zal worden behandeld op 20 augustus 2021.

Bank dient afwijzingsverzoek in bij rechtbank

Voorafgaand aan de behandeling ontvangt de rechtbank een afwijzingsverzoek ex art. 383 lid 8 Fw van de Rabobank. De Rabobank concludeert dat:

  1. Gebrekkige en onvoldoende informatie is verstrekt;
  2. De vordering van de Rabobank niet juist is berekend;
  3. Gedurende het WHOA traject paulianeuze rechtshandelingen hebben plaatsgevonden waardoor de verhaalsmogelijkheden van de Rabobank zijn benadeeld;
  4. Op basis van de bij Rabobank bekende informatie summierlijk is gebleken dat de Rabobank in geval van faillissement van de schuldenaar een hogere uitkering zal ontvangen;
  5. De hoogte en de verdeling van de reorganisatiewaarde onjuist is, waardoor de Rabobank in het akkoord een te lage uitkering zal ontvangen.

 

De observator meent dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers niet geschaad worden bij het voorgestelde akkoord nu een vereffening in faillissement niet tot een betere uitkomst zou leiden. Ook de indeling in klassen voldoet volgens de observator evenals de berekening van de liquidatiewaarden. Wat betreft de reorganisatie-waarde meent hij dat deze niet te bepalen is door verschillende factoren van onzekerheid.

Gronden voor afwijzing homologatieverzoek

De rechtbank oordeelt dat de schuldenaar de schuldeiser niet volledig heeft geïnformeerd nu er stukken ontbreken die voor worden geschreven in art. 375 Fw. Daarnaast heeft schuldenaar de financiële gevolgen van het akkoord met betrekking tot klasse II onvoldoende duidelijk kenbaar gemaakt. Voorts rammelt de berekening van de reorganisatiewaarde die opgesteld is door de financieel directeur (en dus niet door een ter zake deskundige). Ook de gestelde liquidatiewaarden zijn onjuist. Tot slot is er geen juist onderscheid gemaakt van schuldeisers in klassen.

Conclusie rechtbank ten aanzien van homologatieverzoek

De rechtbank oordeelt dan ook dat de schuldenaar tekort is geschoten in haar informatievoorziening richting de schuldeisers. Het akkoord is onvoldoende overzichtelijk en inzichtelijk. Hierdoor heeft de schuldenaar een onvoldoende duidelijk beeld geschetst van met name de klassenindeling, de liquidatiewaarde, de reorganisatiewaarde en de allocatie daarvan. Dit tezamen maakt dat er niet van kan worden uitgegaan dat de geconstateerde gebreken redelijkerwijs niet tot een andere uitkomst van de stemming had kunnen leiden. De rechtbank neemt (ook) in dit verband in aanmerking dat de (gestelde) voorstemmende klassen bestaan uit aandeelhouders, wiens rechten geen wijzingen ondergaan in het akkoord en derhalve niet stemgerechtigd zijn, (andere) gelieerde schuldeisers en schuldeisers die relatief weinig hoeven in te leveren, terwijl bovendien een klasse die ‘out of the money’ is buiten het akkoord wordt gelaten en hoger gerangschikte klassen hebben tegengestemd. De rechtbank wijst dan ook het verzoek tot homologatie van het akkoord op de voet van artikel 384 lid 2 Fw af.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:9782

MEER INFORMATIE

Heeft u vragen over deze uitspraak of over uw eigen situatie? Neem dan contact op met WHOA-expert Floris Dix op +31 85 2010014 en per e-mail via fdix@turnaroundadvocaten.nl