Rechtspraak – afkondiging afkoelingsperiode (9 juli 2021)

Rechtspraak – afkondiging afkoelingsperiode (9 juli 2021)

9 juli 2021

De rechtbank Den Haag kondigt een afkoelingsperiode af van twee maanden op verzoek van een schuldenaar als bedoeld in art. 376 Fw. Het verzoek van de schuldenaar als aanvullende voorziening op basis van art. 378 en/of art. 379 Fw te bepalen dat gedurende de afkoelingsperiode ten behoeve van Rabobank geen vervangende dan wel aanvullende zekerheid behoeft te worden gesteld wordt afgewezen.

De afkoelingsperiode is volgens verzoekster noodzakelijk door de opstelling van Rabobank. Rabobank is, alhoewel het krediet niet is opgezegd, niet bereid de lopende kredietovereenkomst tussen haar en Rabobank gestand te doen en gaat feitelijk over tot uitwinning van haar zekerheden. Hierdoor kan verzoekster haar levensvatbare activiteiten niet voortzetten.

Afkoelingsperiode is noodzakelijk

De rechtbank oordeelt op basis van art. 376 lid 4 Fw dat een afkoelingsperiode noodzakelijk is omdat door het ingrijpen van Rabobank het herstructureringsproces zou kunnen worden verstoord. Gedurende de afkoelingsperiode krijgt verzoekster de gelegenheid zonder dreiging van (verdere) verhaalsacties een akkoord te kunnen voorbereiden als alternatief voor een faillissement.

De afkoelingsperiode is volgens de rechtbank ook in het belang van Rabobank omdat zij een pandrecht op de nieuwe debiteuren verkrijgt en de zekerheden blijft houden die gesteld zijn door de garantstelling door de Staat en de borgstelling door een van de aandeelhouders. Daardoor komt de bank feitelijk niet in een ongunstiger positie te verkeren.

Verzoek bevoegdheden Rabobank te beperken

Verzoekster vraagt als aanvullende voorziening de rechtbank de bevoegdheden van Rabobank als pandhouder gedurende de afkoelingsperiode in de zin van artikel 376 lid 7 Fw te beperken, zonder dat zij vervangende dan wel aanvullende zekerheid ten behoeve van Rabobank hoeft te stellen. Daarmee vraagt verzoekster om voorbij te gaan aan de verplichting zoals opgenomen in artikel 376 lid 7 Fw waarin wordt vereist dat “de schuldenaar op toereikende wijze vervangende zekerheid stelt voor het verhaal van de pandhouder krachtens dat pandrecht.”

De rechtbank wijst dit verzoek af omdat hiervoor geen toereikende grondslag bestaat en het verzoek onvoldoende concreet en gemotiveerd is toegelicht. Bovendien heeft verzoeker geen belang meer bij de gevraagde voorziening omdat voor het overgrote deel van de geldlening die Rabobank heeft verstrekt aan verzoekster al sprake is van een aanvullende dan wel vervangende zekerheid gesteld in de vorm van de garantstelling door de Staat en de borgstelling door een van de aandeelhouders. Verder heeft Rabobank aangegeven dat zij alleen vervangende zekerheid verlangt in de vorm van nieuwe toekomstige handelsdebiteuren indien de debiteurenstand lager zal worden dan € 54.785,45. Rabobank heeft verzekerd geen aanspraak te maken uit hoofde van dit pandrecht op de nog te ontvangen overheidssteun uit hoofde van NOW- en TVL-regelingen, dan wel hiervoor vervangende zekerheid te verzoeken.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:7143