Rechtspraak – afkondiging verlenging afkoelingsperiode en aspectenverzoek (23 juli 2021)

Rechtspraak – afkondiging verlenging afkoelingsperiode en aspectenverzoek (23 juli 2021)

23 juli 2021

De rechtbank Den Haag verlengt een afkoelingsperiode met twee maanden op verzoek van een schuldenaar als bedoeld in art. 376 Fw. Ook wijst de rechtbank een verzoek van de schuldenaar toe over de ongelijke behandeling van schuldeisers vooraf een uitspraak te doen, voordat het komt tot een verzoek tot homologatie van een akkoord (art. 378 Fw).

Om het verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode toe te wijzen moet op basis van artikel 376 lid 5 Fw de rechtbank vaststellen of verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er belangrijke vooruitgang is geboekt in de totstandkoming van het akkoord. De rechtbank stelt vast dat dit het geval is omdat er een overeenkomst met de belastingdienst is en gesprekken met o.a. Rabobank in een vergevorderd stadium zijn. Uit een liquidtietsprognose van BDO volgt bovendien dat de schuldenaar gedurende de verlengde afkoelingsperiode in staat is haar lopende verplichtingen te voldoen. De rechtbank verlengt de afkoelingsperiode met twee maanden.

De schuldenaar vraagt de rechtbank een uitspraak te doen over de indeling van Rabobank voor het concurrente deel van haar vordering in een andere klasse (klasse 4) dan andere concurrente schuldeisers (klasse 5). Die schuldeisers worden ongelijk behandeld omdat in het door verzoekster voorgestane akkoord Rabobank volledige betaling ontvangt zowel voor wat betreft het gesecureerde deel van haar vordering als de concurrente vordering. Andere concurrente schuldeisers ontvangen slechts 14% van hun vordering.

Als rechtvaardiging voor die ongelijke behandeling voert de schuldenaar de volgende argumenten aan:

  • De minder bedeelde overige concurrente schuldeisers in klasse 5 worden niet in hun belangen geschaad omdat behoud van Rabobank als huisbankier essentieel is om de onderneming te kunnen voortzetten, hierdoor een akkoord mogelijk wordt gemaakt en de overige concurrente schuldeisers betaling van 14% van hun vordering ontvangen;
  • Rabobank levert voor het behoud van haar rechten een marktconforme tegenprestatie in de vorm van verschaffing van krediet;
  • Door uitstel van aflossingen en kredietinperkingen krijgt verzoekster de beschikking

 

over de volledige kredietfaciliteit tegen een marktconforme rente;

  • Rabobank duldt een nieuwe financier naast zich;
  • Door het aanblijven van Rabobank als huisbankier kan verzoekster in het kader van een akkoord meer dan de reorganisatiewaarde uitkeren;
  • Bij het aanblijven van Rabobank als huisbankier, zijn klasse 6 (€ 376.146,- in totaal) en klasse 7 (€ 161.249,-) bereid ten aanzien van hun vorderingen kwijting te verlenen. In verband met hoofdelijke aansprakelijkheden en verstrekte borgstellingen zal dit niet het geval zijn wanneer Rabobank moet worden uitgekocht;
  • Indien Rabobank niet als financier aanblijft, moet met Rabobank worden afgerekend.Het is verzoekster niet gelukt om een financiering te verkrijgen die dat mogelijk maakt.

 

De rechtbank gaat in deze argumenten mee, wijst het aspectenverzoek toe en beslist dat de indeling van de concurrente vordering van Rabobank in een afzonderlijke klasse voldoet aan de eisen van artikel 374 Fw, dat voor de voorgestane ongelijke behandeling van de klasse met de concurrente vordering van Rabobank (klasse 4) ten opzichte van de overige concurrente schuldeisers (klasse 5) een redelijke grond bestaat en de overige concurrente schuldeisers (klasse 5) daardoor niet in hun belangen worden geschaad.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:8121