Rechtspraak – afwijzing afkoelingsperiode (17 februari 2021)

Rechtspraak – afwijzing afkoelingsperiode (17 februari 2021)

17 februari 2021

De rechtbank Noord-Nederland heeft ene verzoek om een algemene afkoelingsperiode en tot opheffing van beslagen afgewezen.

Bij het deponeren van de startverklaring hebben verzoekers een verzoekschrift met bijlagen ingediend die verzocht om een algemene afkoelingsperiode voor de duur van vier maanden en het opheffen van conservatoire beslagen. In de openingsbeslissing van de rechtbank op 29 januari 2021 heeft de rechtbank reeds zijn bevoegdheid bepaalt en de keuze voor de soort akkoordprocedure vastgesteld.

Verzoekers huren het bedrijfspand van verhuurder die tevens een lening aan hen verstrekt heeft. Verhuurder heeft een pandrecht op de inventaris van verzoekers. Reeds is door verhuurder conservatoir beslag gelegd op de woningen en bankrekeningen van verzoekers, verhuurder is daarnaast een bodemprocedure gestart waarin betaling van een bedrag van € 492.366,60 wordt gevorderd. Dit bedrag wordt door verzoekers niet betwist en verzoekers verwachten op korte termijn een verstekvonnis. Verzoekers stellen dat de algemene afkoelingsperiode nodig is om deze uitwinning van de bankrekeningen en woningen van verzoekers te voorkomen.

De rechtbank overweegt dat overeenkomstig art. 376 lid 1 Fw de schuldenaar om afkondiging van een afkoelingsperiode kan verzoeken indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:

  • er is door de schuldenaar een akkoord aangeboden als bedoeld in art. 370 lid 1 Fw;
  • er is door de schuldenaar toegezegd dat binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een dergelijk akkoord zal worden aangeboden;
  • er is door de rechtbank overeenkomstig art. 371 Fw een herstructureringsdeskundige aangewezen.

 

De rechtbank stelt na deze overweging vast dat ten tijde van de behandeling van het verzoek geen herstructureringsdeskundige is aangewezen, nog geen akkoord is aangeboden en dat niet expliciet is toegezegd dat binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een dergelijk akkoord zal worden aangeboden. De rechtbank verklaart de verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek.

De rechtbank merkt als laatste op dat voor geen van de goederen waarvan opheffing van het beslag wordt gevorderd is gesteld of anderszins gebleken: (i) waarom de opheffing van het beslag noodzakelijk is om de onderneming tijdens de voorbereiding van het WHOA-akkoord te kunnen blijven voortzetten, en (ii) dat de beslaglegger door de opheffing van het beslag niet wezenlijk in zijn belangen wordt geschaad.  

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNNE:2021:509&showbutton=true&keyword=WHOA