Rechtspraak – Afwijzing verzoek homologatie (27 augustus 2021)

Rechtspraak – Afwijzing verzoek homologatie (27 augustus 2021)

27 augustus 2021

De Rechtbank Oost – Brabant wijst in een besloten akkoord procedure een verzoek van een schuldenaar tot homologatie van een akkoord af om een drietal redenen. Wij lichten elk argument in dit artikel toe.

Redelijke termijn voor stemming van acht dagen

De schuldenaar heeft geen redelijke termijn gehanteerd voor de stemming over het akkoord, zodat niet jegens alle stemgerechtigde schuldeisers is voldaan aan de verplichting bedoeld in de artikelen 381 lid 1 Fw.

De rechtbank overweegt dat de hiervoor vermelde redelijke termijn in elk geval acht dagen moet zijn. Wat een redelijke termijn is hangt volgens de rechtbank af van de omstandigheden van het geval, waaronder:

  1. De mate waarin sprake is van een urgente financiële situatie van de schuldenaar, die niet het gevolg is van een aan de schuldenaar zelf toe te rekenen omstandigheid, zoals het te laat ingrijpen;
  2. De mate waarin er eerder contact is geweest tussen de schuldenaar en haar schuldeisers over de voorgenomen herstructurering. Als de schuldeisers al voor het aanbod de gelegenheid hebben gehad om informatie in te winnen of met de schuldeisers werd onderhandeld over de inhoud van een akkoord, kan een kortere termijn volstaan;
  3. De vraag of sprake is van meer of minder professionele schuldeisers;
  4. De eventuele aanwezigheid van schuldeisers in het buitenland; en
  5. De complexiteit van het aangeboden akkoord naar inhoud en gevolgen.

 

Gehanteerde termijn van acht dagen te kort

In dit geval had de schuldenaar de minimale termijn van acht dagen voor stemming over het akkoord gehanteerd, hetgeen gegeven de geschetste omstandigheden te kort was. Omdat weinig schuldeisers een stem hadden uitgebracht, had het akkoord te weinig draagvlak onder schuldeisers.

Niet voldaan aan informatieverplichtingen

De schuldenaar heeft niet voldaan aan haar informatieverplichtingen tegenover schuldeisers uit artikel 375 lid 1 onder e, f en g Fw.

De rechtbank baseerde dit oordeel op de volgende vaststelling van feiten:

  1. De informatievoorziening had betrekking op een te beperkte periode. De schuldenaar had op 15 februari 2021 haar activiteiten verkocht, is daarna begonnen met het inventariseren van haar schulden en heeft al eerder een aanbod aan haar schuldeisers gedaan. Een gecontroleerde afwikkeling van de bedrijfsactiviteiten van de schuldenaar is eind 2020/begin 2021 gestart. In die omstandigheden kan de schuldenaar niet volstaan met het verstrekken van informatie over de periode vanaf juni 2021, het moment van het deponeren van de startverklaring;
  2. De schuldenaar verstrekte onvolledige en onjuiste informatie over liquidatie- en reorganisatiewaarden, kennelijk op basis van een overeengekomen geheimhouding. Dat is volgens de rechtbank echter geen grond voor de beperkte informatievoorziening hierover;
  3. De schuldenaar verstrekte een onjuiste verklaring over de oorzaak van de financiële problemen (art. 375 lid 2 sub e Fw);
  4. De schuldenaar verstrekte een ontoereikende verklaring ten aanzien van MKB-schuldeisers aan wie minder dan 20% was geboden (art. 375 lid 2 onder f Fw).

 

Akkoord onvoldoende gewaarborgd

Nakoming van het akkoord is onvoldoende gewaarborgd (artikel 384 lid 2 onder e Fw).

De rechtbank stelt vast dat de schuldenaar haar schuldeisers geen gelegenheid heeft gegeven om te beoordelen of het akkoord voldoende is gewaarborgd. De rechtbank is er evenmin van overtuigd dat de nakoming voldoende gewaarborgd werd.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBOBR:2021:4818

Meer informatie

Heeft u vragen over deze uitspraak of over uw eigen situatie? Neem dan contact op met WHOA-expert Jaap van der Meer op +31 85 2010012 en per e-mail via jaap@turnaroundadvocaten.nl