Rechtspraak – eerste homologatie onderhands akkoord (19 februari 2021)

Rechtspraak – eerste homologatie onderhands akkoord (19 februari 2021)

19 februari 2021

De rechtbank Noord-Nederland heeft een eerste homologatie van een akkoord onder de WHOA gegeven.

De rechtbank beschrijft kort de procedure. Verzoeksters hebben op 11 januari 2021 de startverklaringen als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw ter griffie gedeponeerd. Verzoeksters hebben op 22 januari 2021 een verzoekschrift ingediend tot homologatie van een akkoord ex art. 383 Fw, tevens verzoek tot de eenzijdige opzegging van een overeenkomst ex art. 383 lid 7 Fw.

Voorts is vastgesteld dat op 2 februari 2021 de openbare terechtzitting van het verzoek tot homologatie van het akkoord zal plaatsvinden en vervolgens ook heeft plaatsgevonden. Geen schuldeisers zijn verschenen op deze zitting, echter heeft één schuldeiser een verweerschrift ingediend en verzocht de homologatie af te wijzen.

Verzoeksters zijn zwaar getroffen door de coronacrisis, voor de crisis hadden ze een positief bedrijfsresultaat. Verzoekers hebben een omvangrijke reorganisatie ingezet en in juni 2020 een gezamenlijk akkoord aangeboden aan de schuldeisers. Een aantal schuldeisers gingen toen echter niet akkoord, een akkoord was aldus niet haalbaar.

Aangeboden akkoord

Op 29 december 2020 hebben verzoeksters een akkoord aangeboden als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw, verzoeksters hebben drie klassen gemaakt in het voorstel, namelijk (1) retentor, (2) Belastingdienst (preferent) en (3) concurrente schuldeisers. Het voorstel bevatte in hoofdlijnen het volgende:

  1. concurrente schuldeisers krijgen tegen finale kwijting 16% van hun vordering betaald;
  2. de Belastingdienst krijgt tegen finale kwijting 21% betaald;
  3. de retentor (op de inventariszaken) krijgt € 139.000,00 betaald, plus 16% van haar restant-vordering;
  4. verzoeksters verzoeken om beëindiging van een lopende huurovereenkomst voor drie printers. De verhuurder van deze printers deelt mee in het aangeboden akkoord voor de contante waarde van de overeenkomst.

 

Verzoeksters hebben voorts de schuldeisers elf dagen de tijd gegeven om te stemmen voor of tegen het akkoord. Daaruit volgt dat de retentor akkoord is gegaan met het akkoord. De Belastingdienst, als preferent schuldeisers, heeft dertien dagen na het verstrijken van de stemmingstermijn alsnog gestemd vóór het akkoord.

Geen gevolgen voor samengesteld akkoord

De verzoeksters hebben samen één samengesteld akkoord aangeboden. De rechtbank overweegt dat daarvoor in de wet geen ruimte is, aldus artikel 369 lid 8 Fw. Iedere entiteit moet zijn eigen akkoord aanbieden, deze kunnen wel gebundeld worden om gezamenlijk kennis te laten nemen door één van de relatief bevoegde rechtbanken. De rechtbank overweegt dat eigenlijk twee afzonderlijke akkoorden hadden moeten worden aangeboden, maar verbind daar geen gevolgen aan in dit specifieke geval. Dat komt omdat in dit geval voor alle schuldeisers het duidelijk moet zijn geweest dat in feite sprake is van twee akkoorden en dat het duidelijk moet zijn geweest dat het een herstructurering van alle uitstaande schulden van beide verzoeksters betreft. De rechtbank overweegt verder alle klassen van schuldeisers ingestemd hebben met het akkoord en dat dit verzoek het eerste verzoek tot homologatie van het akkoord is onder de nieuwe wet en de wet op dit punt niet onverdeeld duidelijk was.

Verzoek aangeboden akkoord te homologeren

Verzoeksters verzoeken het akkoord dat zij aan hun schuldeisers hebben aangeboden te homologeren. De rechtbank wijst het verzoek tot homologatie van het akkoord in beginsel toe, aldus art. 384 lid 1 Fw, tenzij zich één of meer van de afwijzingsgronden zoals bedoeld in art. 384 lid 2 tot en met lid 5 Fw zich voordoet. Deze afwijzingsgronden worden door de rechter ambtshalve getoetst en onderscheiden zich in algemene en aanvullende afwijzingsgronden. De algemene afwijzingsgronden zijn in het kort de volgende:

  1. zijn alle schuldeisers of aandeelhouders op wie het akkoord betrekking heeft op tijd geïnformeerd, hebben zij de gelegenheid gehad hierover hun stem uit te brengen, zijn zij op de hoogte gebracht van de datum waarop de behandeling van het homologatieverzoek zou plaatsvinden;
  2. de informatie die in het akkoord en de bijlagen zijn opgenomen is toereikend;
  3. de schuldeisers en aandeelhouders zijn op een correcte wijze onderverdeeld in klassen en of zij voor het juiste bedrag in hun desbetreffende klasse zijn ingedeeld.

 

Indien er door een tegenstemmende schuldeiser of aandeelhouder bezwaar is gemaakt tegen de homologatie van het akkoord, vindt er een verdere toets door de rechter plaats (art. 384 lid en lid 4 Fw).

Uitspraak

De rechtbank overweegt in het kort dat sprake moet zijn van een compleet en helder dossier, waarbij op relatief eenvoudige wijze duidelijk gemaakt is hoe men tot bepaalde berekeningen en daarop gebaseerde beslissingen is gekomen. Na enkele vragen van de rechtbank is hier door de schuldenaar voldoende toelichting op gegeven, waardoor aan art. 384 lid 2 sub c Fw is voldaan. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de schuldeisers naar behoren in kennis zijn gesteld, de gelegenheid gehad hebben om hun stem uit te brengen over het akkoord en dat ze op de hoogte zijn gebracht van de datum waarop de behandeling van het homologatieverzoek zou plaatsvinden. De rechtbank concludeert dat er geen aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat de schuldeisers niet op een correcte wijze onderverdeeld zijn in klassen en/of niet in hun desbetreffende klasse zijn ingedeeld. Daarnaast hebben alle klassen vóór het akkoord gestemd.

De rechtbank overweegt dat de schuldeiser die verzocht heeft tot afwijzing van homologatie van het akkoord niet slechter af is dan in de faillissementssituatie, de rechtbank wijst dit verweer af en stelt dat verzoeksters uitgebreid gedocumenteerd hebben onderbouwd dat de schuldeisers op basis van het akkoord beter af zijn dan bij een faillissementssituatie.

De rechtbank homologeert het akkoord en staat verzoekster toe om de duurovereenkomst eenzijdig op te zeggen met een opzegtermijn van drie maanden na datum van de homologatie van het akkoord.

 

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2021:1398