Rechtspraak – Inzake ADO Den Haag (25 mei 2021)

Rechtspraak – Inzake ADO Den Haag (25 mei 2021)

25 mei 2021

De rechtbank Den Haag kondigt een afkoelingsperiode af als bedoeld in art. 376 Fw, wijst een herstructureringsdeskundige aan ex art. 371 Fw en wijst een machtiging ex art. 42a Fw af.

De voetbalclub ADO Den Haag is ernstig in financiële problemen gekomen door de coronapandemie en het niet nakomen van een financiële verplichting aan een aandeelhouder/sponsor.

Volgens de gedeponeerde startverklaring van 3 mei 2021 kiest verzoekster voor een openbare akkoordprocedure.

Afkoelingsperiode

De rechtbank acht de afkoelingsperiode noodzakelijk omdat verzoekster een groot aantal schuldeisers (circa 150) heeft en verzoekster verwacht dat een deel van deze schuldeisers verhaalsacties zullen nemen en/of beslagen zullen leggen op activa, waaronder een aanzienlijke transfersom wegens de verkoop van een voetballer. Die transfersom is nodig voor het nakomen van de lopende verplichtingen.

De afkoelingsperiode is in het belang van de gezamenlijke schuldeisers omdat de schuldeisers in geval van een akkoord naar verwachting meer zullen ontvangen dan bij een faillissement. Immers, een faillissement zal leiden tot het verlies van de licentie betaald voetbal en daarmee tot het noodgedwongen staken van de kernactiviteit van verzoekster.

De afkoelingsperiode wordt verleend tot 1 augustus 2021.

Aanwijzing van een herstructureringsdeskundige

Verzoekster heeft gevraagd mr. J.J. Reiziger of mr. M. Windt als herstructureringsdeskundige aan te wijzen op basis van art. 371 Fw.

De rechtbank constateert dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers zijn gediend met de aanwijzing van een herstructureringsdeskudige. Dat is in ieder geval aan de orde wanneer de schuldenaar het verzoek zelf indient, zoals in dit geval. Ook staat vast dat is voldaan aan het vereiste dat verzoekster verkeert in de toestand waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat zij met het betalen van haar schulden uiteindelijk niet zal kunnen voortgaan.

Bij de aanwijzing van mr J.J. Reiziger als herstructureringsdeskudige overweegt de rechtbank dat hij beschikt over de benodigde financiële kennis, insolventiekennis en ervaring heeft met herstructureringen van schulden bij ondernemingen. Zijn aanwijzing kan bijdragen aan het voorkomen van een schijn van belangenvermenging of om het vertrouwen van de schuldeisers in het proces en daarmee de slagingskansen te vergroten.

De omstandigheid dat mr. Reiziger in 2007 bij verzoekster betrokken is geweest, staat niet in de weg aan een benoeming tot herstructureringsdeskudige omdat sinds 2007 er diverse wijzigingen in de bestuurs- en aandeelhoudersstructuur van verzoekster zijn geweest en niet is gebleken dat mr. Reiziger in de tussenliggende periode bemoeiingen met verzoekster heeft gehad.

Machtigingsverzoek ex artikel 42a Fw

Verzoekster vraagt machtiging tot het aangaan van de transferovereenkomst met S.C. Heerenveen B.V. om zekerheid te krijgen dat de transferovereenkomst niet op een later moment kan worden vernietigd met een beroep op artikel 42 Fw.

Het verzoek wordt afgewezen omdat de rechtbank op basis van de verschafte informatie niet tot het oordeel kan komen dat de transfer(som) marktconform is, dat het resultaat van de transactie al dan niet benadelend voor de schuldeisers zal (kunnen) zijn en onvoldoende duidelijk is (gemaakt) of de hier bedoelde transactie binnen de reikwijdte van artikel 42a Fw valt.

De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat het hier gaat om het vereiste van art. 42a Fw dat de transfer uitsluitend is aangegaan met het oog op (een vorm van) financiering van een akkoord die noodzakelijk is om de door verzoekster gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van een akkoord te kunnen blijven voortzetten.

Verder is het de rechtbank gebleken dat voorafgaand aan het WHOA-traject besprekingen omtrent een transfer van de speler gaande waren, deze transfer aansluit bij de wens van de speler en dat deze transactie ook tot stand zou zijn gebracht indien er geen sprake zou zijn van een WHOA-traject.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:5316