Rechtspraak – Rechtbank Gelderland – voornemen Rechtbank tot benoemen observator (11 mei 2021)

Rechtspraak – Rechtbank Gelderland – voornemen Rechtbank tot benoemen observator (11 mei 2021)

11 mei 2021

De rechtbank Gelderland plaatst vraagtekens bij de informatie verstrekt door een schuldenaar in haar conceptaanbod. In het belang van de schuldeisers acht de rechtbank het nodig om een observator te benoemen.

Bij beschikking van 21 januari 2021 heeft de rechtbank een afkoelingsperiode gelast voor de duur van twee maanden. In betreffende beschikking heeft de rechtbank schuldenaar verzocht haar binnen een gestelde termijn te informeren waarbij ten minste moest blijken welke acties schuldenaar heeft ondernomen om tot een akkoord te komen, in hoeverre is voldaan aan de vereisten die de wet stelt aan het indienen van een akkoord (onder meer artikel 374 en 375 Fw) en wanneer een akkoord aan de schuldeisers zal worden voorgelegd.

Verder heeft de rechtbank gevraagd om nadere informatie over de volgende punten:

  • Het eigen vermogen van schuldenaar was in 2019 nog € 134.000. Wat zegt dat over de reorganisatiewaarde van de schuldenaar?
  • De liquidatie waarde van schuldenaar lijkt vooral lager doordat er kennelijk in het pand is geïnvesteerd. Niet duidelijk is echter van wie het betreffende pand is. Wie is eigenaar van het door schuldenaar gebruikte bedrijfspand en onder welke voorwaarden wordt dat door schuldenaar gebruikt?
  • Er is sprake van een fiscale eenheid en mogelijk is – in tegenstelling tot wat schuldenaar heeft verklaard – toch sprake van een fiscale schuld.

 

Schuldenaar verstrekt op 23 februari 2021 nadere informatie en deelt onder meer een conceptaanbod voor haar schuldeisers met de rechtbank. Deze informatie en betreffende stukken leiden tot allerlei vervolgvragen bij de rechtbank. De rechtbank overweegt dat de belangen van schuldeisers gedurende de akkoordprocedure zijn gebaat bij volledige en transparantie informatie over de financiële gevolgen van het akkoord. Uitgangspunt is daarom dat het akkoord alle informatie moet bevatten die de stemgerechtigde schuldeisers en aandeelhouders nodig hebben om zich vóór het plaatsvinden van de stemming een geïnformeerd oordeel te kunnen vormen over het akkoord (MvT, Kamerstukken II 2018/19, 35249, 3, p. 50). De omstandigheden van het geval, waaronder: wat voor onderneming het betreft, wat voor een akkoord wordt aangeboden (complex of juist niet), en aan wie (professionele partijen of juist kleine leveranciers en particulieren), bepalen welke eisen moeten worden gesteld aan de te verstrekken informatie. De schuldeisers moeten onder meer informatie krijgen over de waarde die naar verwachting gerealiseerd kan worden als het akkoord tot stand komt (reorganisatiewaarde), de opbrengst die naar verwachting gerealiseerd kan worden bij een vereffening van het vermogen van schuldenaar in faillissement en de bij de berekening van deze waardes gehanteerde uitgangspunten en aannames. I.c. lijkt daar niet aan voldaan te zijn c.q. zal schuldenaar daar niet aan voldoen.

Omdat de schuldeisers, waaronder kleine ondernemingen en particulieren, mogelijk onvoldoende informatie krijgen om te “weten wat zij niet weten”, kunnen zij hierdoor in hun belangen worden geschaad. Daar komt bij dat de rechtbank in het kader van de behandeling van een eventueel verzoek tot homologatie van het akkoord ambtshalve zal moeten toetsen of aan de informatieverplichting in het kader van de aanbieding van het akkoord is voldaan. Ook de rechtbank heeft op dit moment onvoldoende informatie om die toetst te kunnen uitvoeren. De rechtbank acht het nodig een observator aan te stellen en legt daar de namen van een drietal mogelijk observatoren voor. Schuldenaar kan daarbij aangeven tegen wie zij gemotiveerd bezwaar heeft.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBGEL:2021:2343