Rechtspraak – toewijzing vordering ex artikel 42a Fw (5 maart 2021)

Rechtspraak – toewijzing vordering ex artikel 42a Fw (5 maart 2021)

5 maart 2021

De rechtbank Rotterdam heeft een verzoek ex artikel 42a Fw toegewezen.

Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om machtiging te verlenen voor de verstrekking van een oogstkrediet door de Rabobank aan verzoekster, om een risico op de pauliana ex artikel 42 Fw uit te sluiten.

Verzoekster exploiteert een onderneming in de glastuinbouw. Dit is een seizoensgebonden exploitatie. In de maanden eind maart tot begin november wordt een gemiddelde omzet gemaakt van € 7 miljoen. Van november tot maart worden alleen kosten gemaakt, ter voorbereiding van de teelt en oogst voor het volgende seizoen. Deze kosten bedragen ongeveer € 85.000 per week. Via de WHOA poogt verzoekster een dreigend faillissement af te wenden door herstructurering van de onderneming. Om dat doel te bereiken, is het essentieel dat de onderneming voortgezet kan worden gedurende de voorbereiding van het akkoord.

In dat kader is de Rabobank bereid geweest om een oogstkrediet beschikbaar te stellen voor een bedrag van € 1,5 miljoen, voor de ondernemingsactiviteiten vanaf november 2020. Zonder dit krediet zal verzoekster haar onderneming per direct moeten stopzetten en is het aanbieden van een akkoord niet meer mogelijk.

Artikel 42a Fw bepaalt dat een rechtshandeling die is verricht nadat de schuldenaar ter griffie van de rechtbank een startverklering heeft gedeponeerd niet met een beroep op artikel 42 Fw kan worden vernietigd, als de rechter op verzoek van de schuldenaar voor die rechtshandeling een machtiging afgeeft.

De rechtbank overweegt dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers gediend zijn bij het verstrekken van het oogstkrediet. Verzoekster heeft ook toegelicht dat schuldeisers met een vordering die is ontstaan vanaf 12 november 2020 volledig voldaan worden uit het oogstkrediet, terwijl schuldeisers met een vordering ontstaan vóór 12 november 2020 betrokken zullen worden in het akkoord. De rechtbank merkt op dat het aan te nemen is dat die schuldeisers meer zullen ontvangen met een akkoord dan zonder een akkoord. De rechtbank ziet daarom geen gronden die pleiten dat individuele schuldeisers door de verstrekking van het oogstkrediet wezenlijk in hun belangen worden geschaad.

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor honorering van het verzoek is gedaan, maar plaatst daar wel een kanttekening bij. Artikel 42a Fw is van toepassing op het verrichten van een rechtshandeling na deponering van de startverklaring en niet voor de deponering van de startverklaring. Het oogstkrediet was weliswaar na de deponering van de startverklaring pas door de Rabobank verstrekt, de materiële invulling had al (deels) voor de startverklaring plaatsgevonden. De machtiging ex artikel 42a Fw ziet dus alleen op het oogstkrediet na deponering van de startverklaring voor een totaalbedrag van € 859.187,00 in plaats van € 1,5 miljoen. Voor het resterende deel wordt geen machtiging gegeven, omdat deze plaatsvond voor de deponering van de startverklaring.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2021:1768&showbutton=true&keyword=WHOA