Verlenging afkoelingsperiode en artikel 42a Fw machtiging (3 september 2021)

Verlenging afkoelingsperiode en artikel 42a Fw machtiging (3 september 2021)

3 september 2021

Verzoekster betreft ADO Den Haag. Zij verzoekt om een verlenging van de afkoelingsperiode en daarnaast om een machtiging voor het doen van een rechtshandeling, ex art. 42a Fw.

De herstructureringsdeskundige verzoekt de rechtbank om een verlenging van de afkoelingsperiode omdat gesprekken met een serieuze investeerder nog lopen. Maar deze heeft ook rekening gehouden met een noodlening vanuit de gemeente indien die gesprekken op niets uitlopen. De onderneming is echter nog steeds in de kern levensvatbaar.

Machtiging kredietovereenkomst

ADO Den Haag verzoekt de rechtbank om een machtiging ex art. 42a Fw voor het aangaan van een kredietovereenkomst met de gemeente voor een bedrag van € 500.000 euro. Volgens ADO zijn de belangen van de gezamenlijke schuldeisers gediend bij deze kredietovereenkomst omdat de gemeente de vennootschap financiert op het moment dat zij eigenlijk in liquiditeitsproblemen terecht zou komen (in november 2021 is dat het geval).

De rechtbank oordeelt positief over het verlengen van de afkoelingsperiode, omdat alleen nog overeenstemming met een investeerder bereikt moet worden en alle andere handelingen voor het treffen van een akkoord al hebben plaatsgevonden. Volgens de rechtbank is daarmee voldoende aannemelijk dat voldaan is aan artikel 376 lid 5 Fw.

Overweging rechtbank

Wat betreft het verzoek ex art. 42a Fw overweegt de rechtbank het volgende. Een machtiging ex art. 42a Fw is bedoeld voor een rechtshandeling die spoedig na toestemming verricht zal worden. In dit geval is het verzoek voor toestemming preventief, voor in het geval de gesprekken met de investeerder op niets uitlopen en in november een beroep gedaan moet worden op het krediet die de gemeente Den Haag beschikbaar stelt. Omdat deze situatie nog niet van toepassing is begin september, is geen sprake van een situatie waarin deze gelden onmiddellijk noodzakelijk zijn. Omdat daarnaast de voorwaarden van het krediet nog onduidelijk zijn, is het niet vast te stellen of de gezamenlijke schuldeisers beter af zijn met het afgeven van deze machtiging of zonder het afgeven van deze machtiging. Indien later blijkt dat de geldlening alsnog nodig is, dan zal ADO via een nieuw verzoek toestemming van de rechtbank moeten vragen voor die geldlening.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:9779

MEER INFORMATIE

Heeft u vragen over deze uitspraak of over uw eigen situatie? Neem dan contact op met WHOA-expert Dennis Helmons op +31 85 2010010 en per e-mail via dennis@turnaroundadvocaten.nl