Rechtspraak – verzoekschrift ex art. 378 Fw – klassenindeling (5 maart 2021)

Rechtspraak – verzoekschrift ex art. 378 Fw – klassenindeling (5 maart 2021)

2 maart 2021

De rechtbank Rotterdam keurt een klassenindeling die onderscheid maakt binnen de klasse concurrente schuldeisers goed.

Verzoekster, die een onderneming in de glastuinbouw houdt, doet een verzoek aan de rechtbank om te oordelen of het gemaakte onderscheid van de concurrente crediteuren een weigeringsgrond oplevert die aan homologatie in de weg zou staan. Verzoekster heeft tevens een verzoekschrift ex artikel 42a Fw ingediend, deze wordt in onze andere blog besproken.

Verzoekster exploiteert een onderneming in de glastuinbouw. Deze onderneming heeft een seizoensgebonden exploitatie. In de maanden eind maart tot begin november wordt een gemiddelde omzet gemaakt van € 7 miljoen. Van november tot maart worden alleen kosten gemaakt, ter voorbereiding van de teelt en oogst voor het volgende seizoen. Deze kosten bedragen ongeveer € 85.000 per week. Via de WHOA poogt verzoekster een dreigend faillissement af te wenden door herstructurering van de onderneming.

Scheiding der klassen

Verzoekster heeft gekozen om een scheiding aan te brengen in de klasse voor concurrente schuldeisers. 12 november 2020 is de “cut off date” en verzoekster heeft de vorderingen voor die datum “bevroren”. Per brief van 16 november 2020 zijn de schuldeisers geïnformeerd dat een akkoord in voorbereiding is. De reden voor het aanbrengen van een cut off date is de beschikbaarstelling van het oogstkrediet door de Rabobank. De concurrent schuldeisers met vorderingen die na 12 november 2020  ontstaan zijn worden volledig betaald uit het oogstkrediet. De concurrent schuldeisers met een vordering voor 12 november 2020 worden meegenomen in het akkoord en krijgen een deel van hun vordering betaald, indien het akkoord wordt gehomologeerd.

De schuld aan de concurrente schuldeisers van vóór de cut off date bedraagt € 1.156.002. De totale schuld bij de Rabobank, die door hypotheek- en pandrechten gezekerd is, bedraagt € 21.558.940. Het voorstel van verzoekster is om de schuld aan de Rabobank om te zetten in een lineaire lening van € 10.000.000 en een bulletlening van € 775.000. De vordering uit hoofde van het restant van de huidige lening bij de Rabobank (à € 10.808.940) wordt gecedeerd aan een dochtervennootschap van de Rabobank, die deze vordering vervolgens zal cederen aan de aandeelhouders van verzoekster voor een vaste koopprijs van € 1 en een variabele koopsom van 45% de bedragen die de aandeelhouders zullen verkrijgen na verkoop, liquidatie of via dividenduitkeringen, met een maximumbedrag van € 10.808.940. Betaling aan de concurrente crediteuren met een vordering van vóór de cut off date zal 20,83% van hun vordering bedragen.

Het akkoord behandelt de concurrente crediteuren aldus niet gelijk. Allereerst door het hanteren van een cut off date in het aanbod en als tweede de verstrekking van een oogstkrediet door de Rabobank, die tevens buiten het akkoord wordt gehouden.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt allereerst vast dat de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek en dat sprake is van een besloten akkoordprocedure. De rechtbank kan overeenkomstig artikel 378 Fw een uitspraak doen die bindend is ten opzichte van schuldeisers en aandeelhouders van wie de belangen rechtstreeks geraakt worden, mits zij door de rechtbank in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze te geven. Verzoekster heeft alle schuldeisers van wie de belangen rechtstreeks geraakt worden door de uitspraak tijdig en juist opgeroepen tot de zittingsdatum, dan wel tot het indienen van een zienswijze. Geen bezwaren zijn opgetreden van belanghebbenden.

De insteek van dit verzoek van verzoekster, is om duidelijk te hebben of sprake is van een redelijke grond voor de ongelijke behandeling van de concurrente schuldeisers met een vordering van vóór de cut off date.

De rechtbank oordeelt dat zulks het geval is, het beschikbaar gestelde oogstkrediet van de Rabobank is noodzakelijk voor de onderneming om voortgezet te kunnen worden. Betaling van de concurrente schuldeisers na de cut off date geschiedt op basis van het beschikbaar gestelde oogstkrediet, zonder dit krediet zou van voortzetting van de onderneming in feitelijke zin geen sprake zijn. De terbeschikkingstelling van dit krediet is van essentieel belang voor de voortzetting van de bedrijfsvoering.

Schuldeisers niet benadeeld door de ongelijke behandeling

De rechtbank oordeelt dat de concurrente schuldeisers met een vordering vóór de cut off date niet in hun belangen geschaad worden door de ongelijke behandeling, omdat zonder de ongelijke behandeling de onderneming niet voortgezet kan worden. Uit het concept-waarderingsrapport blijkt voorts dat bij een faillissement alleen de gesecuriseerde schuldeiser een gedeeltelijke uitkering zou ontvangen en de concurrente schuldeisers geen uitkering. De rechtbank concludeert dat het gemaakte onderscheid in de behandeling van de concurrente schuldeisers een redelijke grond kent en dat de concurrente schuldeisers met een vordering van vóór de cut off date daardoor niet in hun belangen worden geschaad.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2021:1769&showbutton=true&keyword=WHOA