Standaardisering en detailinfo over voorperiode beperkt misbruik WHOA

Standaardisering en detailinfo over voorperiode beperkt misbruik WHOA

12 mei 2022

Wat aan een WHOA-procedure vooraf ging, komt binnen de procedure maar summierlijk aan de orde. Hiermee bestaat de kans dat paulianeuze transacties verricht zijn of schuldposities zo gestructureerd dat verbonden partijen bevoordeeld zijn. Of de bestuurders van de schuldenaar vrezen het rechtmatigheidsonderzoek van een curator en besluiten om deze reden tot een WHOA-procedure.

HERO (2022 / P-012).

De financiële ondernemingsinformatie die toegevoegd moet worden aan een akkoord is te oppervlakkig voor de schuldeisers om zich een “geïnformeerd oordeel te kunnen vormen”. Audit files zouden ter (digitale) inzage gegeven moeten worden aan de schuldeisers voor analyse of, als alternatief, aan de herstructureringsdeskundige of observator.

Doelstelling van de WHOA is om levensvatbare bedrijven die vanwege een te grote schuldenlast insolvent dreigen te raken, een instrument te bieden waarbij op een gecontroleerde manier tot schuldverlichting wordt gekomen. Bij een WHOA-procedure gaat de aandacht uit naar het akkoord dat aangeboden moet worden aan de schuldeisers.

Anders dan de regelingen ten aanzien van een faillissement bevat de WHOA geen instructie dat onderzoek gedaan wordt naar de oorzaken van de insolventie. Ook kent de WHOA geen instructie om transacties voorafgaande aan de procedure te onderzoeken.

Hiermee bestaat de kans dat paulianeuze transacties verricht worden of schuldposities zo gestructureerd worden dat verbonden partijen bevoordeeld worden in een later op te starten WHOA-procedure. Daarnaast kan een WHOA traject misbruikt wordt door bestuurders die te vrezen hebben van een rechtmatigheidsonderzoek onder leiding van de curator: door de schuldverlichting wordt een faillissement afgewend en dat zonder onderzoek naar wat er mogelijk mis is gegaan in de bedrijfsvoering. Feitelijk zou hier dan sprake zijn van misbruik van de wettelijke regeling.

Meer inzicht bij schuldeisers in wat vooraf ging aan de WHOA-procedure kan daarnaast leiden tot het besef dat het prijsgeven van een deel van hun vordering onvermijdelijk is. Dit zou de instemming met het aangeboden akkoord kunnen vergroten.

In dit artikel zal ingegaan worden op een aantal mogelijke vormen van misbruik voorafgaand aan een WHOA-procedure. Vervolgens zal beschreven worden welke middelen op dit moment bestaan om onderzoek te doen naar mogelijk misbruik. Vervolgens zullen voorstellen gedaan worden waardoor onderzoek naar wat voorafging aan de WHOA-procedure aan efficiency en effectiviteit kan winnen.

  1. Mogelijke vormen van misbruik

Er kan sprake zijn van misbruik van een WHOA-procedure wanneer voorafgaand aan deze procedure handelingen worden verricht door of jegens de schuldenaar als gevolg waarvan de schuldeisers een grotere waarde aan vorderingen moeten prijsgeven dan het geval zou zijn wanneer deze handelingen niet zouden zijn verricht. Partijen die hier voordeel van hebben zullen in de regel zijn de schuldenaar, zijn aandeelhouder(s) en verbonden vennootschappen.

De uitvoering van het misbruik kan op talloze manier vormgegeven worden. In beginsel gedacht worden aan vergelijkbare transacties als die aangetroffen worden in geval van faillissementsfraude, zoals:

  • het onttrekken van activa, zoals een machine, inventaris, voorraad, vorderingen of liquide middelen;
  • het vergroten van de verplichtingen aan verbonden partijen, bijvoorbeeld door kosten ten laste van de schuldenaar te brengen.

Vaak gaan deze twee transactiestromen samen: eerst wordt een grote schuld gecreëerd op basis waarvan de verbonden partij activa naar zich toe kan halen.

Bij de uitwerking van een WHOA procedure kan het verschil maken aan wie de schuldenaar een verplichting heeft. Een schuld aan de aandeelhouder zal in het akkoord vaak anders behandeld worden dan een schuld aan een groepsvennootschap. Dit kan aanleiding zijn voor “optimalisatie van schuldposities” met het oog op de latere verdeling volgens een akkoord. De aandeelhouder zou een (reële, niet gefingeerde) vordering kunnen overdragen aan een groepsvennootschap.

De schuldenaar kan de doelstelling hebben om vorderingen van verbonden partijen of een beperkt aantal andere schuldeisers voorafgaand aan de WHOA-procedure bij voorrang te doen; selectieve betaling. Gevolg hiervan is dat andere schuldeisers langer op hun geld moeten wachten en met een grotere vordering het WHOA-proces ingaan, die ze vervolgens grotendeels zullen moeten prijsgeven.

Het voorafgaand vergroten van kosten en een toename van de verplichtingen aan  verbonden partijen draagt ook bij aan het creëren van (het beeld van) een toestand van onvermijdelijke insolventie. Deze toestand is een voorwaarde om een WHOA-proces te kunnen starten (en vervolgens schuldverlichting te kunnen realiseren. Ook op dit aspect kan de WHOA dus misbruikt worden.

Daarnaast kunnen de (onjuist) gepresenteerde cijfers over het verleden invloed hebben op de prognoses voor de toekomst. De prognoses moeten namelijk, via de te nemen herstructureringsmaatregelen, logisch verband houden met de cijfers uit het verleden. Wanneer deze cijfers te somber zijn, kan dat tot gevolg hebben dat de in het akkoord opgenomen reorganisatiewaarde te laag berekend wordt. En daarmee dat de schuldeisers meer van hun vordering prijsgeven dan nodig is.

  1. Huidige middelen

Artikel 375 lid 1 Fw schrijft voor dat het akkoord alle informatie bevat die de stemgerechtigde schuldeisers en aandeelhouders nodig hebben om zich voor het plaatsvinden van de stemming een geïnformeerd oordeel te kunnen vormen over het akkoord.

De essentie is dus dat de schuldeisers en aandeelhouders zelf zich een oordeel moeten (kunnen) vormen. Een oordeel over het akkoord begint met de vraag of het noodzakelijk is en met begrip bij de schuldeisers en aandeelhouders waarom het noodzakelijk is. Pas daarna kan je als schuldeiser meedenken en een besluit nemen over de redelijkheid van een aangeboden akkoord.

Dat de herstructureringsdeskundige of de observator geen gebreken of bezwaren ziet in het voorgestelde akkoord of het misschien zelfs wel ondersteunen, is dan van secundair belang. Het is (maar) een van de aspecten die de schuldeisers en aandeelhouders dienen te betrekken bij hun oordeelsvorming ten aanzien van het akkoord.

De informatie over de periode voorafgaand aan de WHOA-procedure die door of namens de schuldenaar aan schuldeisers en aandeelhouders moet worden verstrekt (artikel 375 lid 2 Fw sub d en sub e en het Landelijk procesreglement WHOA zaken rechtbanken) betreft:

  • jaarrekeningen van de drie voorafgaande boekjaren;
  • een actuele staat van baten en lasten, door weergave van de actuele balans en winst- en verliesrekening, inclusief eventueel niet uit de balans blijkende verplichtingen;
  • een beschrijving van de aard, omvang en oorzaak van de financiële problemen;
  • een beschrijving van de pogingen die zijn ondernomen om de problemen op te lossen.

 

Deze informatie en stukken vormen geen onderdeel van het akkoord maar zijn bijlagen. Dus de schuldeiser kan in de bijlage nazoeken waarom de schuldenaar het onvermijdelijk vindt dat de schuldeiser een deel van zijn vordering zou moeten prijsgeven. Terwijl dat voor hem misschien wel de belangrijkste vraag is.

Een goed en grondig begrip van de financiële situatie van de schuldenaar kan daarnaast tot gevolg hebben dat de kans op instemming met het akkoord vergroot wordt.

Jaarrekeningen

Jaarrekeningen zullen in de meeste gevallen onvoldoende detailinformatie geven; die kunnen door schuldeisers dan hooguit gebruikt worden voor een eerste, oppervlakkige analyse. Dit zal des te meer gelden voor de jaarrekening van een MKB-onderneming. Deze kan gebruik maken van de vrijstellingen en vereenvoudigingen die Titel 9 van BW2 biedt voor het opstellen van de jaarrekening.

De vrijstellingen en vereenvoudigingen zien bijvoorbeeld toe op verschillende schulden die samengevoegd als één post op de balans gepresenteerd mogen worden. Een toelichting op deze post kan vaak zeer summier zijn of zelfs achterwege blijven. Dit maakt het mogelijk om ongemerkt een aandeelhoudersschuld om te labelen naar een schuld aan een zustervennootschap.

Zeker wanneer een WHOA-procedure in de eerste helft van een boekjaar wordt opgestart, bestaat de kans dat de jaarrekening over het voorafgaande boekjaar nog niet is opgesteld. En een accountant zal ook nog niet naar de meest recente cijfers gekeken hebben, al was het maar voor een samenstellingsverklaring (waarbij geen zekerheid wordt verstrekt). Het is dan niet denkbeeldig dat schuldeisers hun oordeel over de noodzaak van een akkoord moeten vormen op basis van jaarrekeningen die informatie geven over een periode langer dan anderhalf jaar geleden en dat dan voor een MKB-onderneming slechts op hoofdlijnen.

De financiële informatie van de anderhalf jaar direct voorafgaand aan de WHOA-procedure bestaat dan volledig uit interne cijfers van de schuldenaar. Met deze cijfers hoeft natuurlijk niks mis te zijn, maar de schuldenaar heeft in ieder geval ruimere gelegenheid tot “optimalisatie”. En uit de forensische praktijk weten we dat het zich voordoen van gelegenheid een belangrijk onderdeel is van frauduleus handelen (belangrijker dan kwade wil).

Beschrijvingen

Aan de gevraagde beschrijvingen zoals gevraagd in artikel 375 lid 2 sub e onder 1 en 2 Fw zijn geen vormvoorschriften verbonden. Vanzelfsprekend binnen de grenzen van de redelijkheid is de schuldenaar dus vrij om de mate van diepgang en detail te bepalen. Hiermee heeft de schuldenaar de gelegenheid om (teveel) op hoofdlijnen te blijven en zo onvoldoende inzicht te geven aan schuldeisers.

De beschrijving zou aan waarde winnen wanneer deze de schuldeiser zodanige informatie biedt dat de schuldeiser een De vergelijking kan maken tussen zijn vermogenspositie wanneer de schuldenaar failliet gaat en zijn vermogenspositie wanneer het akkoord wordt gehomologeerd als gevolg waarvan de schuldenaar niet zal failleren.

In geval van faillissement van de schuldenaar zal de curator mogelijk een vordering kunnen instellen op basis van kennelijk onbehoorlijk bestuur of de faillissementspauliana. Het actief van (de boedel van) de schuldenaar zou hiermee kunnen worden vergroot.

De beschrijving van de pogingen die eerder door de schuldenaar ondernomen zijn om de financiële problemen op te lossen lijkt te doelen op eerdere pogingen om tot een buitengerechtelijk akkoord met schuldeisers te komen. Het lijkt niet te gaan om het verschaffen van inzicht in de maatregelen die de schuldenaar in het verleden al genomen zou kunnen hebben om het tij binnen de onderneming te keren Dit zou kunnen worden afgeleid van de woordkeuze in de wet en de memorie van toelichting: die spreekt van “herstructureringsmaatregelen” (o.a. artikel 375 Fw) en “pogingen om een akkoord tot stand te brengen” (ten aanzien van diverse artikel waar de memorie van toelichting op ingaat).

Informatie over eerder getroffen maatregelen lijken me relevant(er) voor de schuldeisers voor hun afweging of het akkoord onvermijdelijk is (“want minder ingrijpende maatregelen hebben het tij kennelijk niet voldoende kunnen keren”) of dat eerst andere maatregelen getroffen zouden moeten worden voordat de schuldeisers om een offer wordt gevraagd.

Daarnaast kan informatie over eerder getroffen maatregelen (en die kennelijk onvoldoende effect hebben gehad) iets zeggen over de succeskans van de herstructureringsmaatregelen die de schuldenaar nu voornemens is te treffen en die onderdeel zijn van het akkoord.

Van der Meer[1] heeft nuttige voorstellen gedaan om de beschrijvingen meer structuur te geven en informatie te laten bevatten die relevant is voor de schuldeiser die zich een oordeel moet vormen over het voorgestelde akkoord. Van der Meer stelt voor om in de beschrijving onderbouwde informatie op te nemen ten aanzien van:

  • het gevoerde dividendbeleid in de drie jaar voorafgaand aan de WHOA-procedure;
  • betalingen en transacties binnen een jaar voorafgaand aan het de aanbieding van het akkoord aan of met (gelieerde) derden;
  • een accountantsverklaring over de vervulling van de administratieplicht ex art. 2:10 BW en/of de administratieve organisatie en interne beheersing.

 

Deze drie aspecten van het gevoerde beleid kunnen in een faillissementssituatie aanleiding geven tot onderzoek naar aansprakelijkheid van de bestuurder of aandeelhouder en in vervolg daarop, het instellen van een vordering. Informatie hierover in de beschrijving kan daarom relevant zijn voor een schuldeiser om meer inzicht te krijgen ontstaat in de al dan niet bestaande noodzaak tot het doen van onderzoek naar deze issues. Uiteindelijk zou dit in geval van faillissement kunnen leiden tot een bate voor de boedel.

De voorstellen van Van der Meer roepen de vraag op hoe de onderbouwing vorm te geven van hetgeen in de beschrijving wordt gesteld. Bijvoorbeeld de onderbouwing van betalingen en transacties binnen een jaar kan zeer omvangrijk zijn en daardoor lastig ter beschikking te stellen aan schuldeisers.

Digitale informatieverstrekking kan op dit onderdeel zinvol zijn.

  1. Digitaal onderzoek van de details

Om zich een goed geïnformeerd oordeel te kunnen vormen over de periode voorafgaand aan het WHOA-traject hebben schuldeisers behoefte aan een onafhankelijke analyse van de financiële gebeurtenissen binnen de onderneming in die periode. De door de schuldeiser aan te leveren informatie dient daartoe voldoende financiële detailinformatie te bevatten.

Voor een WHOA-traject wordt een beknopte doorlooptijd nagestreefd. De analyse moet daarom binnen een korte termijn uitgevoerd kunnen worden.

De combinatie van “onderzoek van financiële detailinformatie” en “korte doorlooptijd” maakt aanlevering van de informatie in digitale en gestandaardiseerde vorm noodzakelijk; in de administratieve praktijk heet dit een audit file.

Een auditfile is een zogenaamde open standaard (een voorgedefinieerd format) voor het opslaan en  uitwisselen van gegevens uit administratieve systemen. Auditfiles worden primair gebruikt voor uitwisseling van financiële gegevens tussen administratieve systemen. De auditfiles kunnen ingelezen worden in analysepakketten of in standaard kantoorautomatisering zoals Excel waarmee, zonder specifieke kennis van bijvoorbeeld een boekhoudpakket, boekingen of andere vastleggingen kunnen worden geanalyseerd.

Met een audit file worden niet wezenlijk meer vertrouwelijke gegevens van de schuldenaar ter inzage verstrekt; het betreft alleen de (oppervlakkige) financiële mutaties die in het grootboek verwerkt worden. Meer concurrentiegevoelige data zoals kostprijscalculaties, prijsafspraken en marges per debiteur worden hierin niet opgeslagen. Deze informatie is mogelijk wel af te leiden uit een audit file maar dat geldt evengoed voor informatie omtrent de onderbouwing van de reorganisatiewaarde.

De details die opgenomen zijn in een auditfile en de analysemogelijkheden daarvan stellen de schuldeiser beter in staat om zich een geïnformeerd oordeel te vormen over met name de noodzaak van een akkoord.

Met behulp van analysetools of draaitabellen in Excel kunnen in korte tijd recapitulaties gemaakt worden (in onderdeel 4 gaan we in op “door wie” en “hoe”) van bijvoorbeeld:

  • inkomende en uitgaande geldstromen per te selecteren periode (bijvoorbeeld de laatste twaalf maanden);
  • administratieve verrekeningen met debiteuren en crediteuren, waaronder verrekeningen en mutaties waar verbonden vennootschappen bij betrokken zijn;
  • resultaatontwikkeling, onder andere over de periode na de laatst opgestelde jaarrekening / periode-overzichten
  • marge-analyses en de ontwikkeling van de marges;
  • kostenontwikkeling, per periode.

 

De uitkomst van de recapitulaties kunnen richtinggevend zijn voor een meer gedetailleerde analyse. Op deze manier wordt efficiency bereikt. De schuldeiser kan zich richten op de relevante bijzonderheden; dat zijn er meestal maar een paar. De bulk van de transacties zal al snel terzijde gelegd kunnen worden.

Daarnaast kan de data uit de audit file gebruikt worden om de beweringen van de schuldenaar in de beschrijving zoals gevraagd in artikel 375 lid 2 sub e onder 1 en 2 Fw, te staven. Zoals hiervoor aangegeven zou voor deze beschrijving een meer gedetailleerd format opgesteld kunnen worden. Naast de aspecten die Van der Meer benoemt, zou voorgeschreven kunnen worden dat de schuldenaar ingaat op:

  • het gevoerde beleid in voorgaande drie jaar en de financiële uitwerking daarvan;
  • de eerder getroffen maatregelen en de financiële uitwerking daarvan;
  • de directe aanleiding / oorzaak van de door de schuldenaar gestelde toestand “waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat hij met het betalen van zijn schulden niet zal kunnen voortgaan” (artikel 370 lid 1 Fw).

 

Schuldeisers kunnen hun analyse richten op de beweringen van de schuldenaar waarmee de beschrijving aan relevantie zal winnen. Sluit de resultaatanalyse zoals die uit de audit file blijkt aan bij de gang van zaken zoals de schuldenaar die heeft voorgesteld? Is in de data terug te zien dat de schuldenaar geprobeerd heeft het tij te keren zoals gezegd wordt?

De analyse van de audit file kan achtergrondinformatie geven over de aspecten die Van der Meer noemt:

  • wat was de solvabiliteitsratio op het moment van een dividenduitkering? Wat was de current ratio, die inzicht geeft in de liquiditeitspositie van een onderneming?
  • betalingen in het laatste jaar kunnen eenvoudig gerecapituleerd worden, bijvoorbeeld gesorteerd naar crediteuren en periode;
  • de audit file kan indicaties geven over een “beeld van de stand van de administratie”. Zo kan er achterstallig onderhoud uit blijken, waardoor mogelijk niet voldaan is aan de administratieplicht ex artikel 2:10 BW.

 

Zeer waarschijnlijk geeft onderzoek en analyse van een audit file niet het antwoord op alle vragen. En inzage in een audit file geeft geen garantie dat een schuldenaar de cijfers niet heeft gemanipuleerd. Maar een schuldeiser verkrijgt een beter inzicht in de financiële situatie van de schuldenaar en kan op basis hiervan gerichte vragen stellen aan het bestuur van schuldenaar. En het positieve effect kan zijn dat de schuldeiser een beter begrip krijgt van de financiële situatie van de schuldenaar en hoe deze daarin terecht is gekomen. Dit kan tot gevolg hebben dat het draagvlak voor het aangeboden akkoord groeit.

  1. Onderzoek door wie en hoe

De doelstelling van artikel 375 Fw is dat schuldeisers zich een geïnformeerde mening kunnen vormen over onder andere de noodzaak van het aangeboden akkoord. In beginsel moet de schuldeiser dus zelf het onderzoek (kunnen) doen op de door de schuldenaar verstrekte informatie. Mogelijk zal deze zich hiervoor laten bijstaan door een eigen financieel deskundige, hoewel voor het onderzoeken van een audit file goede kennis van Excel voldoende is.

Een audit file bevat met name meer details en in een “business to business situatie” niet wezenlijk meer informatie die gebruikelijk als “vertrouwelijk” of “AVG-gevoelig” kan worden gekwalificeerd. Ten opzichte van de momenteel te verstrekken gegevens kan via een audit file met name meer (detail)informatie openbaar worden ten aanzien van de “klantenkant” van de schuldenaar zoals wie de debiteuren zijn en de omzet per debiteur. Voor zover nodig kan er voor gekozen worden dat persoonsgegevens of bankrekeningnummers geanonimiseerd worden.

Overigens zou deze commerciële informatie (deels of op geaggregeerd niveau) ook in andere gegevens opgenomen kunnen zijn die door de schuldenaar moeten worden verstrekt, zoals een waarderingsrapport ter onderbouwing van de te realiseren reorganisatiewaarde.

De beheersing van de verspreidingskring van een audit file is ten principale niet anders dan ten aanzien van de informatie die momenteel verstrekt moet worden, op papier of digitaal. De informatie kan via een online platform ter beschikking worden gesteld waarbij wel query’s kunnen worden gedraaid maar het downloaden van de uitkomst daarvan niet mogelijk is. Op deze manier kan een schuldeiser onderzoek doen op data in de audit files zonder dat deze gegevens digitaal of fysiek in het bezit kunnen komen van schuldeisers.

Overigens zou er een “preventieve” werking uit kunnen gaan van het feit dat een schuldenaar die een beroep wil doen op een schuldsanering middels een WHOA-procedure openheid van zaken moet geven in de vorm van audit files. Dat zou op zichzelf al een maatregel kunnen zijn tegen misbruik van de WHOA.

Wanneer de vertrouwelijkheid van de informatie in een audit file een bezwaar is om deze ter inzage te verstrekken zou de analyse verricht kunnen worden door / onder verantwoordelijkheid van een herstructureringsdeskundige (art. 371 lid 10 Fw) of een observator (art. 380 lid 4 jo art. 371 lid 10 Fw) wanneer deze benoemd zijn, of door de rechtbank (art. 378 lid 6 Fw). De bevindingen van de analyse kunnen vervolgens aan de schuldeisers verstrekt worden. Zoals hiervoor aangegeven kan een voorgeschreven analyse onder andere aandacht besteden aan de volgende aspecten:

  • inkomende en uitgaande geldstromen per te selecteren periode (bijvoorbeeld de laatste twaalf maanden);
  • administratieve verrekeningen met debiteuren en crediteuren, waaronder verrekeningen en mutaties waar verbonden vennootschappen bij betrokken zijn;
  • resultaatontwikkeling, onder andere over de periode na de laatst opgestelde jaarrekening / periode-overzichten
  • marge-analyses en de ontwikkeling van de marges;
  • kostenontwikkeling, per periode;
  • het gevoerde dividendbeleid in de drie jaar voorafgaand aan de WHOA-procedure;
  • de ontwikkeling van de solvabiliteitsratio (langere termijn solvabiliteit) en de current ratio (korte termijn liquiditeit) bijvoorbeeld op het moment van een dividenduitkering;
  • het gevoerde beleid in voorgaande drie jaar en de financiële uitwerking daarvan;
  • de eerder getroffen maatregelen en de financiële uitwerking daarvan;
  • de directe aanleiding / oorzaak van de door de schuldenaar gestelde toestand “waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat hij met het betalen van zijn schulden niet zal kunnen voortgaan” (artikel 370 lid 1 Fw).

 

Daarnaast zouden schuldeisers zelf deze analyse van een audit file kunnen uitvoeren (of in hun opdracht laten uitvoeren) als deze detailinformatie onderdeel uitmaakt van de bij te voegen gegevens uit hoofde van art. 375 lid 2 Fw. Hiertoe zou in het landelijk procesreglement van de rechtbanken een instructie opgenomen kunnen worden voor door een financieel deskundige te verrichten onderzoek. De instructie bevat een aantal vaste onderzoekswerkzaamheden die uitgevoerd moeten worden en waarvan de bevindingen (al dan niet geanonimiseerd) gerapporteerd moeten worden. Deze onderzoeksdelen kunnen aansluiten bij en dienen als onderbouwing van de (dan eveneens voorgeschreven) aspecten die de schuldenaar verwerkt in de beschrijving ex artikel 375 lid 2 sub e onder 1 en 2 Fw.

De toegevoegde waarde van een rapportage van bevindingen door een financieel deskundige of accountant zit vooral in de anonimisering van de vertrouwelijke of commercieel gevoelige informatie van de schuldenaar. De rapportage hoeft daarom niet voorzien te worden van een conclusie van of interpretatie door de deskundige. De oordeelsvorming dient immers te gebeuren door de schuldeisers. De rapportage van bevindingen geeft hen de mogelijkheid om in te zoomen op relevante transacties van de schuldenaar in de periode voorafgaand aan de WHOA procedure en daar vervolgens nadere vragen over te stellen.

  1. Recapitulatie

De gelegenheid voor misbruik of oneigenlijk gebruik van een WHOA procedure wordt beperkt wanneer een schuldenaar gedetailleerde informatie ter beschikking moet stellen aan de schuldeisers om de noodzaak van een akkoord te onderbouwen. Bij de beschrijving ex artikel 375 lid 2 sub e Fw zou de schuldenaar aan een aantal voorgeschreven aspecten aandacht moeten besteden. Mede ter onderbouwing van wat in deze beschrijving wordt gesteld, zou in het procesreglement van de rechtbanken opgenomen kunnen worden dat de schuldenaar gebruik maakt van de vormen van informatie-uitwisseling die gebruikelijk zijn voor administratief onderzoek zoals audit files.

 

[1] Mr. J.A. van der Meer, Misbruik van de WHOA, Tijdschrift financiering, zekerheden en insolventiepraktijk, nr 1 februari 2021.

Geschreven door drs. Frank Driessen RA, bedrijfseconomisch recovery adviseur en forensic accountant.
Frank is telefonisch bereikbaar op +31 (0)40 240 9438 en per e-mail via fdriessen@joanknecht.nl.