Vereist inzicht voor de beoordeling van een reorganisatie

Vereist inzicht voor de beoordeling van een reorganisatie

2 november 2021

HERO 2021 / P-036

Sinds de invoering van de WHOA is deze voornamelijk gebruikt om crediteuren een relatief makkelijk te doorgronden liquidatie-akkoord aan te bieden. Bij het aanbieden van een reorganisatie-akkoord komt meer kijken. Zo zal een herstructureringsplan en de reorganisatie waarde moeten worden bepaald. Doordat, in tegenstelling tot een liquidatie-akkoord, niet de waarde van de activa centraal staan maar de toekomstige kasstromen en terugkerende winstgevendheid, worden meer aannames gemaakt. Door de langere termijn, verschillende belangen en de subjectieve inschattingen zullen crediteuren meer behoefte hebben aan inzicht in de achterliggende gegevens en alternatieven. Inzicht hierin verhoogd de kans op een snelle doorlooptijd en de algemene acceptatie van het voorstel.

1. Voorwaarde akkoord

Onder de WHOA kan een onderneming met een te hoge schuldenlast en liquiditeitsproblemen zich herstructureren. De onderneming moet in de kern gezond zijn en op redelijk korte termijn gezond en rendabel te maken zijn. De onderneming kan aan de schuldeisers en aandeelhouders een akkoord aanbieden en zo een faillissement voorkomen.

Basisvoorwaarde voor een akkoord is dat de opbrengst voor de schuldeisers minimaal gelijk is aan de opbrengst in faillissement en het personeel niet in zijn rechten mag worden aangetast (art. 369 lid 4 Fw). Dit betekent dat personeel gerelateerde reorganisatiekosten zoals transitievergoedingen volledig dienen te worden betaald en het personeel in wezen een preferente klasse crediteuren vormt. Daarnaast dienen mkb-ondernemers minimaal 20 procent van hun vorderingen uitgekeerd te krijgen. In de WHOA zijn garanties ingebouwd dat de rechten van schuldeisers, zoals die in faillissement gelden, niet worden aangetast en een zorgvuldig proces wordt doorlopen.

2. Directe faillissementswaarde

Voorafgaand aan het WHOA-akkoord dient de onderneming de (minimum)opbrengst van de activa bij vereffening in faillissement te bepalen ter vergelijking met de waarde bij uitvoering van het voorgestelde akkoord.

Deze directe liquidatiewaarde van de afzonderlijke activa in de onderneming bij vereffening in faillissement bepaalt de minimale opbrengsten voor de crediteuren en minimale opbrengst voor separatisten en preferente schuldeisers (art. 375 en art. 375 Fw). Het gaat om de opbrengstwaarde bij een gedwongen verkoop onder aftrek van nog te maken kosten van alle activa, ongeacht of deze al eerder op de balans zijn geactiveerd zoals merkenrechten of klantbestanden. Ook wordt rekening gehouden met de afwaardering van verlieslatende contracten door voortijdige beëindiging.

Banken stellen de liquidatiewaarde bij kleinere ondernemingen vaak vast op basis van vaste afslagen zoals zij die gebruiken in het kader van hun krediet- en zekerhedenpositie. De onderneming zelf zal hiervoor een externe taxatie vragen door een in executoriale verkopen gespecialiseerd veilinghuis of gespecialiseerde taxateur. Voor het vaststellen van de verschillende soorten waarderingen zijn in de WHOA geen inhoudelijke vormvereisten gesteld. Dit geeft de onderneming speelruimte en crediteuren dienen dus scherp te zijn op de wijze waarop de verschillende waarderingen bij een akkoord tot stand komen.

3. Reorganisatie-akkoord

Indien de onderneming ondanks de verliezen en liquiditeitsproblemen levensvatbaar is en op goingconcern-basis door kan gaan, zal crediteuren een reorganisatie-akkoord worden aangeboden. De meest voor de hand liggende waarderingsmethode is dan de inkomensbenadering. De inkomensbenadering gaat uit van de beschikbare financiële gegevens en prognoses van de onderneming zelf. De reorganisatiewaarde wordt bepaald op basis van toekomstige winsten en in het bijzonder de toekomstige geldstromen (de discounted cash ow [DCF-] methode). Uitgangspunt van de DCF-methode is dat op langere termijn sprake zal zijn van stabiele positieve kasstromen. Zodra dat het geval is, wordt op basis van deze kasstromen de restwaarde bepaald.

De reorganisatiewaarde
De verdisconteerde waarde van de toekomstige kasstromen samen met de zelfstandige vruchtdragers en het netto werkkapitaal bepalen de reorganisatiewaarde. Deze reorganisatiewaarde is beschikbaar voor de schuldeisers en mogelijke verschaffers van nieuw werkkapitaal. Eventueel blijft nog een restwaarde over voor de oude aandeelhouders als deze bij de reorganisatie, doorstart en financiering een cruciale rol spelen.

DCF-methode
De DCF-methode kent veel inschattingselementen die van belang zijn voor crediteuren om een WHOA-voorstel te kunnen beoordelen. Zo zal de onderneming inschatten wat de mogelijke (positieve) operationele kasstromen zijn bij de voorgestelde reorganisatie. Daarnaast zullen keuzes gemaakt worden welke aanvullende financiering, sanering van schulden en aanvulling van het netto werkkapitaal nodig zijn om de reorganisatie en financiële herstructurering mogelijk te maken. Op basis van de specifieke verhouding vreemd en eigen vermogen en de risicoweging wordt ingeschat hoe hoog de specifiek gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet (de WACC) zal zijn.

In onderstaand voorbeeld is uitgewerkt hoe de DCF-methode wordt toegepast bij de bepaling van de reorganisatiewaarde. Hierbij dienen de schuldeisers een deel van hun schulden te laten vallen maar valt wel het merendeel aan hen toe. Aangezien de aandeelhouders in dit voorbeeld een cruciale rol hebben bij de reorganisatie, blijft hier een klein deel voor hen over. Duidelijk is ook hoe de omvang van de WACC en het patroon van de kasstromen de uitkomst bepalen. Zo telt bij een WACC van 17% een kasstroom in jaar 5 nog maar voor minder dan 50% mee in de waardebepaling.

De risicoweging en daarmee de WACC zullen voorafgaand aan een WHOA-traject hoog zijn door over financiering, onzekerheid over kasstromen en slecht kredietverleden. Hoe hoog de risicoweging zal zijn, is een kwestie van inschatting. Voor de vereiste verhouding van vreemd en eigen vermogen en risicoweging bestaan geen objectieve criteria. Schuldeisers en aandeelhouders zullen dus zelf moeten bepalen of zij het eens zijn met de aannames en waardes zoals die in het onderliggende herstructureringsplan zijn gebruikt. Indien door het WHOA-akkoord weer een genormaliseerde organisatie en financiering ontstaat kan de reguliere WACC worden gehanteerd.

4. Herstructureringsplan en verplichte informatievoorziening

Om een aangeboden akkoord te kunnen beoordelen, dient het onderliggend herstructureringsplan inzichtelijk te zijn. Het moet aangeven hoe de schulden worden terugbetaald en binnen de mogelijkheden de ondernemingswaarde wordt gemaximeerd. Cruciaal is ook hoe op korte termijn het liquiditeitsprobleem wordt opgelost.

Verplichte informatie
Doorslaggevend zijn de inschattingen en keuzes die de onderneming daarbij maakt. Om deze te kunnen beoordelen, zullen de uitgangspunten en aannames duidelijk in het herstructureringsplan naar voren moeten komen.

Financiële informatie
Het procesreglement en art. 375 lid 1 Fw geven dwingende aanwijzingen over de meer feitelijke informatie die aan de crediteuren moet worden verstrekt zodat zij het voorstel kunnen beoordelen.

  • De jaarrekeningen van de afgelopen drie boekjaren.
  • Actuele staat van alle baten en lasten, balans en winst-en-verliesrekening, inclusief niet uit de balans blijkende verplichtingen.
  • Actuele kaspositie, nog beschikbare ruimte onder kredietfaciliteiten en andere bronnen van liquiditeit.
  • Prognose balans en winst-en-verliesrekening voor een periode van twee jaar (in ieder geval zal duidelijk moeten worden hoeveel tijd nodig is om weer tot gezonde winsten en een positieve cash ow te komen).
  • Kasstroomprognose op maandbasis voor een periode van één tot twee jaar.
  • Waardering specifieke activa bij uitvoering akkoord en in geval van faillissement.
  • Bij de berekening gehanteerde waardes en aannames.
  • Waarderingsmethode en berekeningswijze.
  • Opbrengst bij vereffening in faillissement (de directe faillissementswaarde).
  • De waarde die gerealiseerd kan worden als het akkoord tot stand komt.
  • De onderliggende financiële gegevens die gebruikt zijn bij de totstandkoming van de hierboven genoemde waarderingen.
  • Nieuwe aan te trekken financiering en de reden waarom deze nodig is.

Financiële gevolgen per klasse schuldeisers en aandeelhouders.

Kwalitatieve informatie
Naast bovengenoemde feitelijke informatie dient een aantal indringende vragen te worden beantwoord. In het bijzonder moet naar voren komen wat het (organisatorische) kernprobleem is en hoe dat wordt opgelost. Een akkoord geeft immers alleen een oplossing voor het schuldprobleem.

De volgende kwalitatieve informatie dient aan het akkoord te worden toegevoegd (art. 375 lid 2 Fw en procesreglement):

De aard, omvang en oorzaak van de financiële problemen (Wat zijn de meest acute problemen? Wat is de aard van het liquiditeitsprobleem en de behoefte aan werkkapitaal? Wat is de kwaliteit van het management en de managementinformatie?).

  • De pogingen die zijn ondernomen om de problemen op te lossen.
  • Hoe de gekozen herstructureringsmaatregelen gaan bijdragen aan de oplossing van de
  • Financiële problemen.
  • De tijd die het vergt de herstructureringsmaatregelen uit te voeren.
  • Gevoeligheden en onzekerheden aangaande prognoses en waardering.
  • Uitgangspunten en aannames op basis waarvan de prognoses en de waarderingen zijn vastgesteld.
  • Andere documenten die voor het beoordelen van het akkoord van belang zijn.

 

Werkkapitaal
Het oplossen van het liquiditeitsprobleem en verkrijgen van extra werkkapitaal zijn cruciaal voor het slagen van een WHOA-traject. Naast het werkkapitaal dient in het herstructureringsplan ook rekening te worden gehouden met de betaling van crediteuren die gerechtigd zijn om direct geld uitgekeerd te krijgen. Het gaat in het bijzonder om:

Pand- en hypotheekhouders die tegen het akkoord hebben gestemd en kiezen voor een uitbetaling in cash tegen directe faillissementswaarde (art. 384 lid 4 sub d Fw).

Schuldeisers die in faillissement naar verwachting een betaling in geld zouden ontvangen en dit bedrag in geld willen ontvangen (art 384 lid 4 sub c Fw).

Mkb-schuldeisers die het recht hebben om minimaal 20% van het bedrag van hun vordering in geld aangeboden te krijgen, tenzij zwaarwegende gronden zich hiertegen verzetten (art. 374 lid 2 jo 375 lid 2 sub f Fw).

Praktisch gezien zullen crediteuren met een retentierecht, eigendomsvoorbehoud en of dwangcrediteuren zoals verhuurders of hostingbedrijven, ook in geld moeten worden betaald. Hetzelfde is van toepassing op de leveranciers en dienstverleners die cruciaal zijn om het akkoord te doen slagen.

Indien voor het slagen van de herstructurering noodzakelijk, kunnen overeenkomsten met dwangcrediteuren worden gewijzigd of beëindigd. Verlieslatende of ‘overbodige’ wederkerige overeenkomsten kunnen eenzijdig worden beëindigd met recht op schadevergoeding. De hoogte daarvan wordt voorzien in het akkoord (art. 373 Fw).

Met bovengenoemde crediteuren zal in praktijk voorafgaand aan de presentatie van een akkoord worden onderhandeld om te zien wat zij willen prijsgeven en welke voorwaarden daaraan worden gesteld.

5. Onderhandelingen met financiers en kapitaalverschaffers

Uitgaande van capabel management dat onmisbaar is voor het succes van de reorganisatie, is het voor een geslaagde herstructurering noodzakelijk dat het management (of de directeur-grootaandeelhouder) blijft en bereid is mee te werken aan een akkoord en de uitvoering daarvan.

Bij een rechtspersoon is het bestuur zelfstandig bevoegd een akkoord aan te bieden en is geen instemming nodig van de algemene vergadering. Indien bestaande aandeelhouders als nieuwe financiers geen rol spelen bij de herstructurering of nieuwe  financiering, hoeft voor hen geen waarde over te blijven. Statuten of aandeelhoudersovereenkomsten kunnen dat niet tegengaan (art. 370 lid 5 Fw). Het bestuur van de vennootschap heeft hier dus een bijzondere positie en kan de aandeelhouders passeren. De beslissingen van het management worden alleen nog door de rechter bij het homologeren van het akkoord getoetst.

Bij kleinere familiebedrijven ligt het management en aandelenbezit vaak in één hand. De aanwezige kennis en kunde van de directeur-grootaandeelhouder (dga) kunnen noodzakelijk zijn voor het maximeren van de reorganisatiewaarde. In dat geval is het ook in het belang van de schuldeisers dat hij betrokken blijft en een deel van zijn belang zal behouden. In de praktijk zullen banken dan wel vragen of de aandeelhouder daarvoor een tegenprestatie levert, bijvoorbeeld door nieuwe financiering te verschaffen.

Financiers en/of aandeelhouders vinden
Naast steun van het management dienen mogelijk nieuwe financiers en/of aandeelhouders te worden gevonden. Zij zijn nodig om op korte termijn in werkkapitaal te kunnen voorzien en de uit het akkoord volgende betalingsverplichtingen te financieren. Daarnaast is geld nodig voor de investeringen die volgen uit het reorganisatie- en herstructureringsplan. Zij zijn daartoe alleen bereid als zij aanspraak kunnen maken op een deel van de hogere reorganisatiewaarde en schuldeisers afzien van een deel van hun vordering. Indien in de uiteindelijke verdeling van de reorganisatiewaarde deze financiers en vermogensverschaffers een deel daarvan opeisen, dient dit aparte deel naar voren te komen.

De banken spelen in de praktijk een rol als bestaande en toekomstige financier omdat zij als separatisten een belangrijke klasse vormen maar ook aanvullend werkkapitaal kunnen verschaffen. Zij kennen de onderneming al langer en zijn als financiële partij beter dan kleine crediteuren in staat het verleden en de toekomst van het bedrijf te beoordelen. De medewerking van de bank is voor andere crediteuren een sterk signaal. In de kamerbrief van januari 2021 heeft de minister aangegeven dat de Belastingdienst binnen het WHOA-traject een ruimhartig beleid zal hanteren en daarbij vertrouwt op de positieve inschatting van de levensvatbaarheid van het bedrijf door deskundige derden, zoals banken en accountants. De Belastingdienst zal dus niet snel een eigenstandige beoordeling doen van de levensvatbaarheid en daarmee is het vrijwel uitgesloten dat de Belastingdienst zal meewerken aan een akkoord als de banken het akkoord niet ondersteunen.

Tegengestelde belangen
Bij de totstandkoming van het herstructureringsplan en de bepaling van de ondernemingswaarde en onderliggende aannames spelen tegengestelde belangen. Banken hebben, afhankelijk van de (sterke) zekerheidspositie baat bij een ‘lage waardering’ van de te verdelen waarde, zodat andere schuldeisers zo veel mogelijk prijsgeven en meer buffers overblijven bij tegenvallende resultaten.

Lager gerangschikte crediteuren en bestaande aandeelhouders zullen juist inzetten op een ‘hoge waardering’ zodat ook hen een deel van de reorganisatiewaarde toekomt.

Voor het management, de dga of nieuwe aandeelhouders kan het aantrekkelijk zijn de verwachte kasstromen en ondernemingswaarde zo te sturen. De uitkomst kan zijn dat de gesecureerde crediteuren net meer ontvangen dan de hen toekomende directe faillissementswaarde, maar voor de overige crediteuren weinig overblijft. In dat geval is sprake van een maximale schuldsanering en vergroot het de kans dat de onderneming weer snel winstgevend wordt.

6. Liquidatie-akkoord

Bij de aanbieding van een reorganisatieakkoord zullen crediteuren willen vergelijken wat de opbrengst zou zijn als in plaats daarvan een liquidatieakkoord zou zijn aangeboden. Een liquidatie-akkoord kan voor crediteuren aantrekkelijk zijn als een hogere of gelijke opbrengstwaarde van de activa wordt verwacht en met minder onzekerheden gepaard gaat.

Het liquidatieakkoord gaat uit van de aanwezige activa van de onderneming ongeacht of deze al eerder op de balans zijn geactiveerd, Het gaat hier om de verwachte opbrengstwaarde, onder aftrek van nog te maken kosten van alle (immateriële) activa. Uitgangspunt is dat de lopende zaken en projecten zonder tijdsdruk worden afgewikkeld, vorderingen worden geïnd, maar geen nieuwe ondernemingsactiviteiten meer worden opgestart.

Ten opzichte van een geforceerde verkoop in faillissement zullen bijzondere waardeverminderingen en verliezen op lopende projecten beperkt blijven en zal het gemakkelijker zijn immateriële activa te gelde te maken. De waardering zal, eventueel ondersteund door externe taxaties, gebaseerd zijn op de directe opbrengstwaarde bij vrijwillige verkoop. Deze taxaties zorgen voor een zekere mate van objectivering.

In wezen wordt de onderneming ontbonden en vereffend maar dan met een door de rechter opgelegd akkoord. De onderneming heeft daarbij het initiatief en treedt in wezen als vereffenaar op. De activawaardering in het kader van een liquidatieakkoord is relatief gemakkelijk te doorgronden en objectief vast te stellen. Overeenstemming met alle klassen crediteuren over een liquidatie-akkoord kan daardoor snel worden bereikt.

7. Objectiviteit en herstructureringsdeskundige

Zoals uit voorgaande blijkt, worden crediteuren in het waarderings- en onderhandelingsproces geconfronteerd met een aantal subjectieve overwegingen en tegenovergestelde belangen.

De succeskansen van de verschillende scenario’s, maar ook de kans dat de overgebleven financiering daadwerkelijk en tijdig zal worden ontvangen, spelen daarbij een rol. De voornoemde uitgebreide verplichte documentatie geeft crediteuren de mogelijkheid hun eigen analyse te maken en eventueel zelfstandig in te schatten wat de opbrengsten van specifieke activa in een liquidatie-akkoord zouden zijn.

Een reorganisatie-akkoord zal gezien de onzekerheid, subjectiviteit en langere tijdshorizon alleen interessant zijn als deze een fors hogere waarde biedt dan een liquidatie-akkoord. Om objectiviteit en deskundigheid af te dwingen, of als zij het ingediende schuldenakkoord onvoldoende vinden, kunnen schuldeisers de rechter vragen een herstructureringsdeskundige te benoemen. De herstructureringsdeskundige is dan als enige bevoegd, eventueel met medewerking van de onderneming, een akkoord aan te bieden.

Indien de onderneming conflicten verwacht over de liquidatie- of reorganisatiewaarde of meer overtuigingskracht wil afdwingen bij crediteuren en de rechter, kan de onderneming zelf ook vragen een herstructureringsdeskundige te benoemen (art. 371 Fw). De rechter weegt zwaar aan het oordeel van deze deskundige en zal hem bij belangrijke rechtelijke besluiten horen (art. 378 lid 8 Fw). Een door de herstructureringsdeskundige ingediend akkoord dat aan de formele eisen voldoet, zal niet snel door een rechter worden afgewezen.

Is geen herstructureringsdeskundige benoemd dan kunnen crediteuren vragen om de benoeming van een observator. Deze heeft als taak om bij de totstandkoming van een akkoord de belangen van de gezamenlijke schuldeisers te bewaken. Gezien de benodigde instemming van de verschillende klassen is het aan te raden daar niet tot het laatste moment mee te wachten.

Instemming van alle klassen
Een akkoord kan al bij de rechter ter homologatie worden aangeboden als ten minste één klasse die in een faillissement geheel of gedeeltelijk zou zijn voldaan, instemt met het akkoord (art. 383 lid 1 Fw).

Het heeft echter sterk de voorkeur dat alle klassen voordat het aan de rechter wordt voorgelegd al met het WHOA voorstel instemmen. Wordt namelijk bezwaar gemaakt tegen de homologatie, dan vindt een verdere toets van het akkoord door de rechter plaats (art. 384 lid 3 en lid 4 Fw). Indien niet alle klassen instemmen met het aangeboden akkoord én is geen herstructureringsdeskundige of observator benoemd, dan benoemt de rechter in ieder geval een observator om het akkoord te beoordelen (art. 383 lid 4 Fw). De observator zal vanuit zijn eigen visie en vereisten de aannames en uitwerking van het herstructureringsplan en de uitkomsten van de onderhandelingen willen doorgronden. Daarbij toetst hij of aan de belangen van alle schuldeisers is voldaan en de toereikendheid van de wettelijk vereiste documentatie. Een dergelijke benoeming zal om die reden vertragend werken.

Het zal daarom in de praktijk aantrekkelijk zijn in een vroegere fase zelf een herstructureringsdeskundige of observator te laten benoemen of alle klassen in de onderhandelingen achter het herstructureringsplan, waardering en akkoord te krijgen.

Crediteuren mogen gezien het belang en de sturing die partijen daaraan zouden kunnen geven hoge eisen stellen aan het realiteitsgehalte van het herstructureringsplan en de onderbouwing en onderliggende documentatie.

Dit klemt des te meer omdat tegen de homologatiebeslissing van de rechter geen hoger beroep of cassatie openstaat (art. 369 lid 10 Fw).

8. Aanbeveling voor de praktijk

Voor een goede oordeelsvorming dient elke crediteur adequate informatie te krijgen om te bepalen wat voor hem de hoogste en meest waarschijnlijke opbrengst oplevert in geval van faillissement en bij een liquidatie- of een reorganisatie-akkoord. De uitgebreide wettelijke documentatievereisten maken deze afweging mogelijk en crediteuren dienen erop te letten dat aan deze vereisten wordt voldaan.

Bij een reorganisatie-akkoord is sprake van subjectieve schattingen bij de berekening van de reorganisatiewaarde en spelen tegenstrijdige belangen een rol. Een realistisch, transparant en goed onderbouwd herstructureringsplan helpt crediteuren inzicht te krijgen in de schattingen en belangen die voor het voorstel bepalend zijn geweest.

Voor de onderneming heeft het voordelen als alle klassen instemmen met een voorgesteld akkoord. Is dit onwaarschijnlijk, dan zal de onderneming moeten bepalen op welk moment het best een herstructureringsdeskundige of observator wordt ingeschakeld. Dit voorkomt dat bij bezwaar tegen een ingediend akkoord alsnog verplicht een observator wordt benoemd. Deze zal dan met het oog op alle crediteuren opnieuw en met een eigen visie en vereisten de totstandkoming en onderliggende documentatie beoordelen. Een dergelijke vertraging is gezien de urgentie en een dreigend faillissement onwenselijk en kan relatief eenvoudig worden voorkomen.

  1. De onderneming kan aantonen dat de stille voorbereiding de schade voor de betrokkenen bij een eventueel faillissement in zodanige mate kan beperken, dat dit opweegt tegen de omstandigheid dat de voorbereid zonder betrokkenheid van de crediteuren plaatsvindt, ofwel in stilte; OF
  2. De stille voorbereiding kan de kans op de verkoop van rendabele onderdelen van de onderneming na faillietverklaring tegen een zo hoog mogelijke verkoopprijs en met behoud van zoveel mogelijk werkgelegenheid in zodanige mate vergroten, dat dit opweegt tegen de omstandigheid dat de voorbereiding in stilte plaatsvindt.

Indien de rechtbank tot de conclusie komt dat aan de meerwaarde gerealiseerd kan worden en de schuldenaar zijn schulden niet meer kan voldoen, wordt het verzoek voor een stille voorbereidingsprocedure ingewilligd.

Om voor een WHOA- traject in aanmerking te komen dient men aannemelijk te kunnen maken dat de onderneming failliet gaat indien er geen gebruik wordt gemaakt van de WHOA. Een WHOA – traject wordt derhalve ingezet om een faillissement te voorkomen, terwijl bij de pre-pack een faillissement onvermijdelijk is en getracht wordt om de schade voor schuldeisers en andere betrokkenen in faillissement te beperken.

Op basis van het voorgaande kan men concluderen dat de WHOA een fase eerder in beeld komt dan de pre-pack. Bij de pre-pack is het immers zeker dat de onderneming failliet gaat, terwijl dit bij de WHOA niet zo is. Indien u meer wilt weten over de WHOA, dan verwijs ik u naar onze eerdere blog. Het doel van de regelingen is echter hetzelfde. Beide regelingen beogen er voor te zorgen dat de schuldeisers zoveel mogelijk van hun vorderingen terugkrijgen. Daarnaast beogen zij zoveel mogelijk ondernemingswaarde te behouden. De weg erna toe is echter anders.

Bevindt uw onderneming zich in een situatie die geschikt is voor een pre-pack of de WHOA, dan raden wij u aan contact op te nemen met een van onze specialisten. Schroom echter niet om ook bij twijfel contact op te nemen voor advies.

Geschreven door Georges de Méris, partner Corporate Finance bij Joanknecht. Georges is bereikbaar per telefoon op +31 (0)40 240 9476 en per e-mail op gdmeris@joanknecht.nl.